leren schrijven
op internet in deze site 

LEREN SCHRIJVEN

Hieronder een groot fragment uit het boek BAS KUNSTLER SCHRIJFT

De illustraties hierbij zijn schermafdrukken met een lage resolutie van de afbeeldingen uit het boek en daarom minder goed dan in het boek zelf. 



IEDER KIND TEKENT

Reeds vroeg in zijn ontwikkeling krijgt het kind aandacht voor het resultaat van zijn bewegingen. Sommige bewegingen laten een spoor na — in het zand, op een blad of elders — en dat boeit het kind. Daarna begint het kind vanuit de beweging te experimenteren. Het tekent op alles wat min of meer vlak is zoals papier, het tafelblad, de muur, de deur, de vloer, de zandbak en met alles wat het vindt: een steen, een stok, een krijtje en zo meer. De jonge kleuter heeft een grote behoefte om te tekenen, al ziet het er volgens de volwassenen meer uit als krabbelen en krassen. 

Wat is er nu zo typisch aan dat gekrabbel? Het stelt op het eerste gezicht niets voor, het is niet figuratief en het kind heeft in eerste instantie ook geen behoefte aan figuratieve voorstellingen. Het gaat louter om het resultaat van de beweging. Meestal zijn dit kromme en gebogen lijnen, zelden of nooit rechte lijnen. Dit is logisch, gezien de motoriek van het jonge kind. Het zijn lijnen die puur vanuit de beweging komen met als scharnierpunt de romp, de schouder, de elleboog en de pols.




 

 

 

 





 

In de ontwikkeling van baby tot peuter zie je twee verschillende vormen van lijnen ontstaan. Er zijn lijnen die naar een cirkel evolueren en er zijn lijnen die gewoon heen en weer gaan, van onder naar boven en van links naar rechts. In de peutertekeningen zie je duidelijk de twee tendenzen.

De cirkelbeweging mondt meestal rond drie jaar uit in een gesloten vorm, min of meer een cirkel, die zowel ovaal als ingestulpt of uitgestulpt kan zijn. Maar binnenin is er altijd een lege ruimte die wat later in de ontwikkeling opgevuld wordt met de eerste aanzetten van ogen, neus en mond.

 

 

 

 

 

 

 

 


 

De heen-en-weergaande lijnen evolueren ook. Je ziet dat ze steeds dichter op elkaar komen en op den duur zo dicht opeen staan dat ze een zwarte, dikke, donkere massa vormen. Soms is de beweging daarbij zo hevig dat het blad (of de deur of de muur) erdoor beschadigd raakt. De lijn wordt als het ware driedimensionaal en dringt ín het materiaal. Dit zegt veel over de kracht waarmee het kind de beweging uitvoert, en de lijn is daar het zichtbare, zelfs tastbare resultaat van.


 









 

Zodra de peuter zijn bewegingen beter coördineert en het gekrabbel meer onder controle krijgt, komen de lijnen zachter en regelmatiger naast en over elkaar op het blad.

 

 

 

 

 

 

 

 



Begint het kind tussen zijn derde en vierde verjaardag — soms eerder — de cirkel te sluiten, dan verschijnen op de omtrek ervan min of meer rechte lijnen die van de cirkel uitgaan. Het is het moment waarop de kopvoeters ontstaan. De tekeningen worden nu figuratief: de kleuter wil iets meedelen: een kopvoeter stelt wellicht mama voor, een andere misschien papa en het kind ziet zichzelf waarschijnlijk in een derde kopvoeter.











De heen-en-weerlijnen worden rond drie jaar meer gericht gestuurd vanuit de elleboog en geleidelijk vanuit de pols. Vele kleuters beleven er plezier aan om de randen van het blad op te vullen met min of meer rechte lijnen in verschillende kleuren. Eerst lijken het gordijnen aan weerszijden van een raam, maar ten slotte is het hele blad gevuld met veelkleurige lijnen die min of meer de omtrek van het blad volgen.









 


Of de rechte lijnen stralen vanuit het centrum van het blad. Deze lijnen vanuit het midden en vanaf de omtrek zijn ‘versieringen’ waaruit later het ‘vormtekenen’ ofte ‘dynamisch tekenen’ ontstaat met spiegelingen, symmetrieën en friezen (bandversieringen) enerzijds en het schrijven anderzijds.











De bandversieringen leiden in de lagere school tot het verbonden schrift en tot een uitgebreide kennismaking met de sierkunsten van verschillende culturen. In de spiegel- en symmetrieoefeningen ontdekken de lagereschoolkinderen de sierkunsten en de vlakke meetkundige figuren.








































 

In de loop van de derde kleuterklas mogen de kinderen verschillende eenvoudige bandversieringen oefenen. Dit hoeft geen klassikale activiteit te zijn, beter is het om dit met de kinderen individueel te doen, bijvoorbeeld tijdens het vrije spel. Zo kun je de ontwikkeling van ieder kind afzonderlijk nauwgezet opvolgen en kun je de potloodgreep bijsturen, mocht dit nodig zijn. De ideale potlood- of pengreep is de driepuntsgreep, maar niet alle afwijkingen daarvan hoeven gecorrigeerd te worden. Meer over de potlood- ofte pengreep lees je op bladzijde 21.

 

Welke bandversieringen kunnen in de kleuterschool aan bod komen? De opgaven 1 tot en met 25 van de reeks op bladzijde 30 en 67 e.v. zijn geschikt. Maar als kleuterleidster of -leider kun je naar eigen inzicht oefeningen ontwerpen. Het moeten trouwens niet alleen bandversieringen zijn, het kunnen daarnaast ook symmetrie- en spiegeloefeningen zijn. Bij een symmetrieoefening is de symmetrieas verticaal (zoals bij een mens). Bij een spiegeloefening is de as waarrond gespiegeld wordt horizontaal (zoals bij een watervlak).


 









Enkele eenvoudige symmetrie- en spiegeloefeningen voor kleuters en eersteklassers:

 

 



 


 


 

HET SCHRIJFGERIEF


Thuis en zeker in de kleuterschool zijn de kinderen gewoon om met kleurpotloden te tekenen en hun naam te schrijven. Bij het leren schrijven ga je dus ook voort op die gewoonte en begin je met kleurpotloden. Nu hebben kleurpotloden één groot nadeel: je moet er enige druk op uitoefenen om ermee te tekenen, waardoor je een indruk achterlaat in het blad. Bij het schrijven is dit niet wenselijk. Zolang de kinderen vormtekeningen maken, is een kleurpotlood geschikt, ook omdat ze op stevig tekenpapier tekenen. Zodra het echter om letters gaat en je een andere papierkwaliteit aanbiedt, is een schetspotlood beter. Kan een kind zo zacht met een schetspotlood tekenen en schrijven dat er geen indruk in het papier achterblijft, dan kan het overschakelen op een vulpen of een fijne zwarte stift of kleurstift. De overgang van kleurpotlood naar schetspotlood en van schetspotlood naar vulpen of stift gebeurt steeds individueel, nooit klassikaal. Kleurstiften zijn er in alle maten, diktes en kwaliteiten, maar meestal is de kleur te fel en de punt te dik of te zacht en dus niet geschikt om mee te schrijven. Meer hierover op bladzijde 44.

In sommige kleuterklassen werken de kinderen met kleurknotsen (dikke kleurpotloden) en waskrijtjes waarvan de dikte goed aansluit bij die van een vulpen; ze zouden beter geschikt zijn voor de kleine kinderhanden. Of dit zo is, is twijfelachtig. Ik geef de voorkeur aan dunne kleurpotloden omdat de dikte ervan een goede potloodgreep (pengreep) bevordert. De dikte van schetspotloden en dunne stiften sluit daar ook bij aan. Hoewel waskrijtblokjes totaal ongeschikt zijn om tot een goede pengreep te komen, zijn er kleuterscholen waar de kinderen met dit materiaal moeten tekenen. Sporadisch kun je waskrijtblokjes wel eens laten gebruiken om grote vlakken in te kleuren, maar eigenlijk kun je ze missen in de kleuterschool en horen ze er ook niet thuis.

Glad A4-tekenpapier van 120 g of meer, met daarop de lijnen – liefst in kleur – geprint, is ideaal voor de vormtekeningen en de eerste schrijfbladen. In plaats van de lijnen te printen, kun je ze zelf tekenen waardoor je ook zelf de afstand tussen de lijnen kunt bepalen. Dit geeft meer mogelijkheden om gedifferentieerd te werken. Het blad leg je in landschapsformaat en laat je in twee vouwen. De kinderen werken elke figuur of letter af tot aan de vouw en laten dan hun werk controleren. Pas daarna mogen ze de rij volledig afwerken. Zie ook bladzijde 26.

Gelijnd schrijfpapier kun je laten gebruiken zodra de kinderen het verbonden schrift enigszins beheersen en niet meer op het potlood, de vulpen of de stift drukken. Meestal gebruiken vrijescholen grote schriften in A4-formaat. Als je deze schriften open op tafel legt, krijg je een groot schrijfvlak van A3-grootte, een formaat dat niet altijd gemakkelijk te hanteren is, want veel plaats is er gewoonlijk niet op tafel. Maar als je voor eersteklassers die grote schriften in de hoogte halveert, krijg je een beter hanteerbaar formaat en kun je de opdracht per bladzijde beperken om toch nog een mooie bladspiegel te verkrijgen. In de loop van de tweede klas kun je dan grote schriften geven voor taal en rekenen, maar houd je er ook rekening mee dat sommige kinderen beter af zijn met de gehalveerde schriften. Je neemt bij voorkeur ook dunne schriften van 40 bladzijden. Kinderen vinden het altijd prettig, en het is ook stimulerend, om na een voltooid schrift aan een nieuw schrift te mogen beginnen. Dan mogen ze weer een titelblad maken met hun naam nog mooier dan in het vorige schrift. De gewoonte bestaat om bij de aanvang van elk schooljaar ieder kind nieuwe schriften te geven, maar dat is helemaal niet nodig. Een schrift dat eind eerste klas nog lege bladzijden heeft, kan perfect dienen om er in de tweede klas in voort te werken.

Een andere gewoonte die vooral de jongste jaren opgang maakte in steinerscholen en vrijescholen is het ‘versieren’ van de bladzijden door op de randen ervan een kader te tekenen met een waskrijtblokje. Dit is voor niets nodig en een mooiere bladspiegel krijg je er niet mee, integendeel. Daarbij aansluitend bestaat ook nog de gewoonte om de achtergrond van elk blad te laten inkleuren met waskrijtblokjes of ander tekengerief. Dit geeft altijd vreselijke resultaten. Sommige leerkrachten laten de kinderen zelfs het blad eerst inkleuren waarna de tekst of de rekensommen daarover heen geschreven moeten worden (soms zelfs met waskrijtjes). Waarom mag een blad niet mooi, rustig, maagdelijk blank zijn vóór je erop schrijft? Is dit overdreven inkleuren misschien een restant van de horror vacui uit oudheid en middeleeuwen? Het is in elk geval puur tijdverlies. De tijd die kinderen aan al dat ‘versieren’ moeten besteden is tijd die véél beter gebruikt kan worden om te schrijven of te rekenen.

Wanneer laat je een blad versieren? Als de tekst en de rekensommen afgewerkt zijn en er nog een lege plek overblijft die de bladspiegel uit evenwicht brengt, dan laat je op die plek een kleine tekening maken in verband met de inhoud van de tekst of het seizoen of een verhaal dat onlangs verteld werd; of je laat er een bandversiering tekenen of je laat er enkele letters van het verbonden schrift oefenen of je geeft een vormtekening op, bijvoorbeeld een spiegeloefening of een symmetrieoefening. Elk moment van de schooltijd kan zinvol besteed worden aan oefenen.

Wat helemaal niet goed te praten valt, is de gewoonte die ik in enkele scholen zag in de eerste, tweede en derde klas. Daar liet men de kinderen met waskrijtblokjes of kleurpotloden lange stroken tekenen. Daarna moesten de kinderen op die stroken schrijven met dikke kleurpotloden

In de afbeelding hierboven uit een derde klas zijn enkele minder gunstige zaken zichtbaar:

-           het blad is te groot;

-           de kleurbanden zijn een vervanging van de steunlijnen, maar zijn niet allemaal even hoog;

-           de tekst is geschreven met een kleurpotlood, en kleurpotloden vergen meer druk dan een schetspotlood, vulpen of stift;

-           de woorden zijn veel te groot geschreven;

-           de tekst is op een donkere kleurstrook geschreven waardoor de kinderen nog harder op het potlood moeten drukken om de tekst enigszins leesbaar te maken.

DE POTLOOD- OF PENGREEP

Als er thuis en in de kleuterschool geen aandacht is voor een goede potloodgreep, gaan de kleuters zelf een potloodgreep ontwikkelen die afhankelijk is van datgene waarmee ze tekenen.

Een goede potloodgreep zoals de driepuntsgreep verkrijgen de kinderen het gemakkelijkst met dun tekenmateriaal; dunne kleur- en schetspotloden of stiften dus, hoewel het ook daarmee wel eens fout kan gaan, zoals je op de middelste foto onderaan kunt zien. Als ze dik materiaal gebruiken, kunnen de kinderen niet goed zien wat ze op het blad tekenen of schrijven. Op de twee foto’s bovenaan is dit duidelijk vast te stellen. Als ze dunne potloden of stiften gebruiken en niet te dicht bij de punt vasthouden, zien ze de punt op het blad bewegen en daarmee dus ook wat ze tekenen.

De driepuntsgreep waarbij het potlood tussen drie vingers rust, is de ideale potloodgreep. De middenvinger dient als steun, de toppen van wijsvinger en duim houden het potlood vast en sturen het potlood.      

Om tot een vlot en soepel handschrift te komen is het nodig dat de kinderen leren om niet op het potlood te drukken. Op de foto hieronder zie je dat het kind veel te hard op het potlood drukt en daardoor ook krampachtig schrijft. De witte vlekken op de top van de wijsvinger en de duim duiden op te grote druk op het potlood, waardoor het bloed uit de vingertoppen wegtrekt. De druk op de wijsvinger is zelfs zo groot dat de vinger in de verkeerde richting doorbuigt. Schrijven is op deze manier een vermoeiende bezigheid. Met waskrijtjes en kleurknotsen tekenen in de kleuterschool kán als de kinderen daarnaast ook met gewone dunne potloden mogen tekenen. Tekenen met waskrijtblokjes vergt zo veel inspanning dat het af te raden is om ze in de kleuterschool te gebruiken.

VAN RECHTEN EN KROMMEN TOT FRIEZEN

Rechte en gebogen lijnen

In de tekeningen van de kleuter zie je zowel rechte als gebogen (kromme) lijnen.

Deze twee soorten lijnen worden de basis van het leren schrijven door een lange reeks tekeningen — friezen of bandversieringen of vormtekeningen genoemd — te maken waarin alle bewegingen van het verbonden schrift aan bod komen. Na een aantal tekeningen met rechte en gebogen lijnen afzonderlijk, ontstaan er combinaties van rechten en krommen, waaruit dan de verschillende lettervormen voortkomen.

Elke opdracht is een kunstwerk

De friezen die je als voorbereiding op het leren schrijven laat tekenen, zijn in feite kunstzinnige vormen die op zichzelf staan en waardevol zijn. Je kunt ze dus net zo goed als kunstzinnige opdracht geven zonder tot het verbonden schrift te komen. Dit is trouwens het uitgangspunt van al het leren: elke oefening, elke opdracht is in se waardevol en bereidt nooit voor op iets anders, al mogen – en zullen – andere zaken uit het voorgaande voortvloeien. Dit houdt verband met hoe een kind is: een kind leeft in het nu en heeft er geen boodschap aan dat het iets moet doen voor later of als voorbereiding op iets anders. De pedagoog en vooral de didacticus weet waarom hij bepaalde opgaven aan het kind geeft, het jonge kind hoeft dit waarom nog niet te weten.

Van tekenen tot schrijven

Al zijn hedendaagse kinderen vóór ze leren schrijven en lezen al vertrouwd met letters en cijfers, het principe om voor het leren schrijven uit te gaan van rechte en gebogen lijnen is in elk geval kunstzinniger dan te vertrekken van voorgeschreven of voorgevormde letters die maar hoeven nagetekend te worden of door los van elkaar staande letters te verbinden met verbindingsstreepjes.

In de kunstzinnige benadering krijgen de kinderen de kans om zelf te ontdekken welke woorden en letters ze geschreven hebben, zodat het lezen werkelijk voortvloeit uit het schrijven.

Fijne motoriek

Laat je grote lijnen op het bord tekenen, dan wordt vooral de beweging vanuit de schouder aangesproken, terwijl de kinderen in de eerste klas over een veel fijnere motoriek beschikken. Een kind op deze leeftijd kan perfect met een potlood tekenen en heeft geen behoefte om eerst nog eens vanuit het grote gebaar te werken. Je mag de kinderen de oefeningen gerust met grote gebaren laten maken om hen in beweging te zetten, maar ze moeten tegelijkertijd datgene doen waar ze in hun ontwikkeling aan toe zijn, namelijk werken vanuit de fijne motoriek.

Céline Alvarez laat de kleine bewegingen die nodig zijn voor het schrijven van letters al door driejarige kleuters oefenen; zij gaan daarvoor met hun vinger over grote letters uit schuurpapier, zodat de kinderen de letter goed kunnen voelen. In tegenstelling tot het kunstzinnig werken gaat zij uit van het resultaat. Zij biedt het resultaat aan terwijl de kunstzinnige methode het resultaat uit de beweging laat ontstaan.

Tussen lijnen tekenen en schrijven

Sommige leerkrachten zijn ervan overtuigd dat een kind moet leren schrijven op ongelijnd papier. Pieter Witvliet oud-leerkracht aan een vrijeschool is er voorstander van:

 

 ‘Bij het aanleren van het schrijven heb ik ‘mijn’ kinderen de eerste jaren nooit tussen lijntjes laten schrijven. Op het papier zonder lijnen leerden ze steeds meer om de letters even groot te schrijven, a.h.w. met het gevoel ‘van binnenuit’, niet van buitenaf gedwongen met een nog niet daarvoor geschikte motoriek. Zonder uitzondering leerden de kinderen netjes schrijven.’

 

Ik geef de voorkeur aan gelijnd papier omdat dit voor beginnende schrijvers een goede steun is. Dit geldt ook voor de vormtekeningen. De begrenzingen boven- en onderaan zijn een hulp en moeten ook een hulp blijven en geen absolute verplichting. Dat een kind niet netjes binnen die lijnen blijft is helemaal niet erg. Een tekening of een letter kan gerust eens te klein of te groot zijn; het is maar door het vele tekenen dat ieder kind er geleidelijk in slaagt om binnen de begrenzingen te blijven. Het is de positieve respons van de leerkracht die daarvoor zorgt; straffen of punten aftrekken voor het niet respecteren van de hulplijnen is hier absoluut niet aan de orde. Punten geven is trouwens nooit een goede zaak; de geleverde inspanning en het mooie resultaat zijn de beloning.

Voortekenen

Elke figuur en elke letter teken je op het bord voor om klassikaal te oefenen. Dit oefenen kun je doen met grote arm-, hand- en voetgebaren, maar mondt altijd uit in kleine gebaren die de fijne vingermotoriek aanspreken. Het is trouwens ook zinvol om het leren schrijven te combineren met leren blokfluitspelen, naaien, breien, haken en boetseren met bijenwas, omdat daarbij uitvoerig beroep gedaan wordt op de fijne motoriek. 












De eerste dagen/weken is het ook zinvol om de figuur of letter zeer zacht met schetspotlood op het blad voor te tekenen. De kinderen gaan met hun potlood over deze figuur of letter en gaan dan zelf verder met tekenen of schrijven. Merk je dat een kind het niet meer nodig heeft en zelf probleemloos de figuur van het bord kan overnemen, dan teken je de figuur of schrijf je de letter of het woord niet meer voor. Teken de vorm of figuur of letter (zie de afbeelding hiernaast) met schetspotlood voor op de bladen. Dit doe je met alle opgaven en voor alle kinderen. Vind je het te veel werk om voor elk kind alles voor te tekenen/schrijven, doe dit dan op één blad en kopieer het. Dit is echter minder persoonlijk. Er gaat niets boven de persoonlijke en individuele aanpak. Elk kind vindt het boeiend om te zien hoe de leerkracht het blad voor hem klaarmaakt. De leerkracht kan zo trouwens ook de tekening aanpassen aan elk kind als dat nodig is, en bepaalde vormen meer laten oefenen dan andere.

Je tekent de lijnen op het bord en laat de kinderen op verschillende manieren natekenen (met een hand in de lucht, met een voet op de vloer, met verschillende vingers op de tafel, op de rug van een klasgenoot, enz.) Je kunt tal van grote en kleine bewegingsmogelijkheden verzinnen en je zorgt voor voldoende afwisseling.

Het is niet per se nodig om op de allereerste schooldag van de eerste klas met deze oefeningen te starten, het kan op eender welk moment in de loop van de eerste klas gebeuren. Het is wel aan te raden om, zodra je ermee begonnen bent, er dagelijks mee voort te doen en elke dag drie opgaven te geven.

Werkwijze

1. Je deelt de bladen met de voorgetekende vormen (figuren, letters) uit.

2. De kinderen schrijven hun naam op het blad, bovenaan of onderaan volgens eigen wens of zoals jij dat verlangt.

3. De kinderen vouwen het blad in twee en vouwen het weer open.

4. Na de klassikale vooroefeningen (arm, hand, voet, lucht, tafel, enz.) gaan de kinderen met een kleurpotlood eerst over de vorm (de rechte lijn) in schetspotlood en tekenen dan verder tot aan de vouw. Je volgt op en helpt indien nodig.

5. Je laat de gebogen lijnen in de middelste balk tekenen volgens hetzelfde principe: eerst over de schetspotloodlijn gaan met kleurpotlood en dan verder tot aan de vouw.

6. Ten slotte laat je de rechte en gebogen lijnen in de onderste balk tekenen, weer volgens dezelfde werkwijze.

7. Kinderen die de drie balken tot aan de vouw getekend hebben, tonen je hun blad. Voldoen de tekeningen min of meer aan je eisen – je wijst vooral de geslaagde tekeningen aan – dan geef je toestemming om de drie balken af te werken. Zijn er geen goede lijnen bij, dan teken je er weer enkele voor in schetspotlood op de rechterhelft van het blad.

Hoe tekenen de kinderen de lijnen?

1. Ze tekenen elke lijn in één beweging. Ze mogen nooit een tweede keer over de lijn gaan. Doet een kind dat toch, dan is dit geen drama, het is meestal een teken dat het te weinig zelfvertrouwen heeft. Met een vertrouwenwekkende begeleiding van de leerkracht komt dit mettertijd in orde.

2. De aanzet van elke lijn moet correct zijn. Als de lijn van boven naar beneden gaat, dan beginnen de kinderen ook bovenaan. Loopt de lijn van onder naar boven, dan beginnen ze ook onderaan. Je besteedt hieraan de nodige aandacht en helpt indien nodig.

3. De kinderen tekenen elke lijn in een andere kleur. Ze zijn vrij in het kiezen van de kleuren. Het is een gelegenheid om al hun kleurpotloden eens te laten gebruiken.

Een mogelijkheid is om de tweede helft van het blad slechts met enkele kleuren te laten afwerken met daarbij bijvoorbeeld de opdracht:

-           2 rode lijnen,

-           3 blauwe lijnen,

-           4 groene lijnen,

-           5 paarse lijnen,

-           dan weer 2 rode lijnen, enz.

Dit levert een concentratieoefening op gecombineerd met tellen. Een van de volgende dagen geef je bijvoorbeeld deze opdracht:

-           3 blauwe lijnen,

-           5 paarse lijnen,

-           3 blauw,

-           5 paars

enz.

Of 2 oranje, 4 rood, 2 oranje, 4 rood. Aanvankelijk nooit meer dan 5 lijnen in dezelfde kleur zodat het overzichtelijk blijft. Later, als de kinderen deze opdrachten gewoon zijn en ze al veel geoefend hebben rond het getalbegrip, kan het ook met meer dan 5 lijnen in dezelfde kleur.

4. Elke dag laat je drie oefeningen maken. Om die reden hebben de bladen 3 balken of een veelvoud van 3.

5. Geraakt het blad niet af in de voorziene tijd, dan is dit geen probleem. Het blad mag onafgewerkt blijven of kan dagen, weken of zelfs maanden later nog afgewerkt worden. Deze bladen zijn ideaal om op een vrij moment te laten afwerken. De kinderen kiezen zelf welk blad ze willen afwerken — de volgorde speelt geen rol — maar je kunt ook zelf een blad kiezen en laten afwerken. Je zorgt dat er een plek in de klas is waar deze vormtekeningen per kind bewaard worden, zodat de kinderen ze zelf kunnen nemen. Het moet een gewoonte worden dat ze, zonder je daarvoor te storen, hun bladen nemen en afwerken zodra ze met een andere opdracht klaar zijn. Daardoor vermijd je de vraag: ‘Juf, ik ben klaar, wat moet ik nu doen?’ Hoe minder je deze vraag hoort, hoe beter. Beter voor de rust in de klas en beter voor de zelfstandigheid van de kinderen. De leerkracht houdt daardoor de handen vrij om kinderen te helpen en om individueel en gedifferentieerd te werken.

6. De tekeningen wisselen in het begin steeds af: rechte lijnen – gebogen lijnen. Na ongeveer een maand komen er gecombineerde vormen met rechte en gebogen lijnen. Geleidelijk komen dan de lettervormen tevoorschijn – dit zeg je niet vooraf, maar je laat de kinderen de letters ontdekken. Vanaf de 54e dag ontstaan er verbonden letters en woorden. Je laat de kinderen zelf de woorden ontdekken tijdens het schrijven.

Tijdschema en materiaalkeuze

Van dag 1 tot en met dag 27:

-           Bladen met 3 stroken.

-           De kinderen gebruiken dunne kleurpotloden.

Van dag 28 tot en met dag 36:

-           Bladen met 6 stroken.

-           De kinderen gebruiken bij voorkeur een schetspotlood.

-           Schetspotlood: HB of bijvoorbeeld een vulpotlood van Bic.

Van dag 37 tot en met dag 53:

-           Bladen met 9 stroken.

-           De kinderen gebruiken een schetspotlood en schakelen over op de vulpen of fijne stift zodra de leerkracht van oordeel is dat het kind eraan toe is.

De volgorde van de tekeningen:

Op de volgende bladzijden vind je de volgorde die ik zelf hanteerde. Wil je liever een andere volgorde gebruiken, kies dan naar eigen inzicht uit de reeks tekeningen, of ontwerp zelf vormen. Aanvankelijk wisselen rechte lijnen en gebogen lijnen elkaar af; vanaf de 21e dag komen er ook combinaties van rechte en gebogen lijnen.

Als de kinderen in de kleuterklas geen friezen of symmetrie- en spiegeloefeningen getekend hebben, kan het zijn dat de eerste tekeningen niet goed lukken. Dit is niet erg. Al tekenend, en zeker als je dagelijks de tekeningen laat maken zoals ze hier opgegeven zijn, zullen ze snel vorderingen maken.

Problemen die je kunt tegenkomen:

-           de rechte lijnen zijn niet recht;

-           de gebogen lijnen staan in de verkeerde richting;

-           de gebogen lijnen kronkelen;

-           de lijnen beginnen niet aan de bovenste steunlijn en/of raken de onderste steunlijn niet;

-           de lijnen zijn allemaal te lang, zowel bovenaan als onderaan;

-           de lijnen zijn niet allemaal even lang;

-           de lijnen staan te ver uiteen;

-           de lijnen zijn allemaal te klein.

Meestal is er toch wel één lijn voldoende goed gelukt om ze aan te duiden als geslaagd.

Je kunt op andere momenten kleine arceeroefeningen – om de rechte lijnen te oefenen – en kleine cirkeltjes of lusjes – om de krommen te oefenen – laten maken op de achterkant van bladen waarvan de voorzijde al gebruikt is.

In figuur 48 (dag 16) is de tekening gecombineerd met de getallenrij van 2. In figuur 50 (dag 17) is de tekening gecombineerd met de getallenrij van 3.

Tot en met dag 27 tekenen de kinderen steeds met kleurpotloden en op bladen met drie stroken.

Klik om een aantal bladzijden te bekijken


BAS KUNSTLER SCHRIJFT

Leren schrijven

&

schrijven en spellen

in de lagere school

klassen 1 - 6



Van kleutertekenen tot vormtekenen

Van vormtekenen tot schrijven van het

verbonden schrift.



Creatief schrijven

Spellen op drie niveaus

Anderen over leren schrijven en spellen

Schrijven in de vrijeschool



172 bladzijden

225 illustraties in kleur








Bas Kunstler= acroniem van Basisonderwijs Kunstzinnig Leren

FRIEZEN WORDEN LETTERS

Vanaf dag 28 tekenen de kinderen op bladen met 6 stroken en schakelen ze geleidelijk over van kleurpotlood op schetspotlood. De afstand tussen de steunlijnen is nu kleiner en de tekeningen worden meer en meer herkenbaar als letters. Het is aan de kinderen om te ontdekken welke letters te herkennen zijn. In voorbereiding op het verbonden schrift zijn de meeste vormen schuin overhellend naar rechts.

Met één blad kom je nu twee dagen toe.

De meeste letters worden voorbereid door vormtekeningen waarin de lettervorm uitgerekt of verbreed is en waardoor duidelijk te zien is welke bewegingen er bij het schrijven aan bod komen.

Aanvankelijk beginnen de kinderen nog met kleurpotlood, maar met de opdracht om de tekeningen zo zacht mogelijk op het blad te zetten. Ze gebruiken dan ook best donkere kleuren zodat de tekening nog zichtbaar is. Zodra de tekening voldoende zacht op het blad komt, krijgen ze een schetspotlood.

Welk schetspotlood?

HB is het meest geschikt. B is te zacht en H is te hard. De vulpotloden van Bic (0.7 mm) met drie stiften erin zijn ook bruikbaar en hebben enkele voordelen:

-           De punt is altijd scherp, puntenslijpers hoeven dus niet.

-           Met één potlood komen de kinderen ruimschoots toe, tenminste als je erop let dat de kinderen de punt niet te lang maken waardoor hij afbreekt.

-           Deze potloden hebben een gommetje. Een kleine fout kan er snel mee hersteld worden.

-           Elk potlood bevat drie stiften.

Er zijn ook enkele nadelen aan deze vulpotloden:

-           De kinderen laten in het begin de stift te ver uitsteken en drukken er te hard op waardoor de stift afbreekt.

-           Het is synthetisch materiaal (behalve de potloodstift).

Van dag 37 tot en met dag 53 werken de kinderen op bladen met 9 balken en uitsluitend met schetspotlood of vulpotlood. Ze gaan nu proberen zó zacht op het potlood te drukken, dat er geen indruk op het papier ontstaat en dat de lijnen zéér zacht, zelfs bijna onzichtbaar worden. Pas als dat lukt, kunnen ze vanaf dag 54 overschakelen op vulpen of tekenstift (dunne viltstift)

Vanaf hier kom je met één blad drie dagen toe.

VAN LETTERS TOT VERBONDEN SCHRIFT

Na 53 dagen zijn alle bewegingen van het verbonden schrift – ook van de hoofdletters – geoefend.

Vanaf nu krijgen de kinderen werkbladen met ingekleurde stroken.

Elke strook bestaat uit drie banden:

Bovenaan een blauwe band zoals bovenaan in de kindertekeningen van de eerste klas meestal te zien is. Dit is de ‘lucht’. In de blauwe band komen de omhooggaande lussen en de stokjes van t en d. De lussen mogen nu niet meer tegen de bovenrand en de onderrand komen. Bij de tekeningen mocht dit wel, bij het schrijven niet, al is het niet nodig om daar zeer streng op toe te zien. Waarom mogen de lussen niet tegen de rand komen? Als bij het schrijven op gelijnd papier de lussen tegen de teksten op de lijn erboven of eronder komen, komt dit de leesbaarheid niet ten goede; daarom is die kleine spatie tussen lus en onder- en bovenlijn nodig.

Middenin is er een witte band met een paarse lijn onderaan. Dit is de steunlijn om op te schrijven. De kleine letters passen net in de witte band: ze staan op de lijn en komen tot aan de blauwe band. Deze witte band kun je vergelijken met de middenstrook in een kindertekening: het is de strook waarin het ‘verhaal’ van de tekening zich afspeelt.

Onderaan is een groene band die refereert aan de onderkant van de kindertekeningen: het ‘gras’. Hierin komen de neergaande lussen, maar deze raken nooit de onderste rand van de groene band, al is het niet nodig hier zeer strikt mee om te gaan.

De blauwe, witte en groene stroken op deze bladen zijn afgeleid van de kindertekeningen. Daarin stelt de blauwe strook bovenaan de lucht of hemel voor. De groene strook (soms ook bruine strook) onderaan stelt het gras of de aarde voor. In kleutertekeningen en dikwijls ook nog in tekeningen van eersteklassers speelt het verhaal zich af in de witte strook tussen de ‘lucht’ en het ‘gras’. Geleidelijk zullen blauw en groen elkaar naderen en gaat de tekening zich afspelen tegen een horizon waar blauw en groen elkaar ontmoeten. Het middendeel tussen blauw en groen verdwijnt dan. Voor het leren schrijven mogen de letters nog op de witte strook verschijnen. Hoe deze bladen uit de kindertekeningen
ontstaan zijn zie je op de afbeelding hieronder.

De kinderen schrijven eerst op bladen met 6 blauw-wit-groene stroken, daarna op bladen met 9 blauw-wit-groene stroken. In de blauwe strook komen de opgaande lussen en stokken. In de groene strook komen de neergaande lussen en stokken.

Bladen met 6 stroken blauw-wit-groen voor schetspotlood, vulpen of tekenstift kun je downloaden op het volgende internetadres:

https://www.cielen.eu/lijnenblad-verbonden-schrift-6-balken-21-17-21-schetspotlood-vulpen-stift.pdf

Bladen met 9 stroken blauw-wit-groen kun je downloaden op dit adres:

https://www.cielen.eu/lijnenblad-verbonden-schrift-9-balken-15-12-15-schetspotlood-vulpen-stift.pdf

Zodra een kind zéér zacht met het schetspotlood kan schrijven, mag het met een vulpen of een zwarte of gekleurde tekenstift (dunne viltstift) schrijven. De overgang van potlood naar vulpen/stift gebeurt derhalve niet klassikaal, maar individueel.

Als een kind te hard op het potlood blijft drukken, kun je het volgende doen:

Laat de achterkant van het blad zien. Als de lijn doordrukt op de achterkant, dan kan het kind nog niet zacht genoeg met het potlood schrijven.

Je kunt aan het kind vragen om een letter te schrijven op de rug van je hand. Daarna doe je dit bij het kind met dezelfde druk zodat het kind voelt hoe groot de druk is. Dan laat je het kind voelen (ook op de rug van zijn hand) hoe zacht het moet schrijven.

Vanaf dag 54 beginnen de kinderen met letters en woorden.

In tegenstelling tot alle andere schrijfmethodes starten de kinderen niet met afzonderlijke letters, maar met letters die aan elkaar verbonden zijn. Dat kan — en het is ook vanzelfsprekend — omdat bijna alle voorafgaande vormen aan elkaar verbonden waren. De kinderen kennen dit dus al en passen dit vanaf nu toe op de letters.

 

Omdat het saai is om een hele regel met dezelfde letter te vullen is het aangewezen om er een ritme in te brengen. Zo kun je vragen om vijfmaal een letter te schrijven, dan viermaal, dan driemaal, dan tweemaal, dan eenmaal en dan weer vijfmaal enz. Maar je kunt dit ook in verschillende ritmes doen. De voorbeelden hieronder bevatten verschillende ritmes bij wijze van voorbeeld.

Waarom verschillende ritmes? Omdat de kinderen daardoor beter geconcentreerd blijven en regelmatig nakijken wat (en hoeveel) ze al geschreven hebben. Zo ontstaat de gewoonte om steeds na te kijken en na te lezen wat ze geschreven hebben. Dit is later heel nuttig bij het creatief schrijven.

Het is ook niet nodig om steeds één letter te herhalen. Omdat de verbindingen tussen de letters toch al geoefend zijn, kunnen de kinderen af en toe een woord schrijven op de bladen met 6 stroken blauw-wit-groen. Zodra de kinderen op bladen met 9 stroken blauw-wit-groen beginnen, schrijven ze hoofdzakelijk woorden en korte zinnen.

De opbouw van het schrijven gaat nu verder als volgt:

-           1. Letters met een scherpe aanzet binnen de witte band:

u, i, n, m, v, w, r, s.

-           2. Letters met een gebogen aanzet binnen de witte band:

c, a, o, e.

-           3. Letters met een lus in de blauwe band:

l, b, h, k, f (met de f kun je wachten tot nr. 6 hieronder).

-           4. Letters met een lus in de groene band:

j, g.

-           5. Letters die halverwege de blauwe band komen:

d, t.

-           6. Letters die halverwege de groene band komen:

p, q, f.

-           7. De letters      z, y en x.

De werkwijze op de bladen met 6 stroken blauw-wit-groen blijft dezelfde als bij de vorige opgaven:

-           eerst het blad vouwen en weer openvouwen;

-           dan de letters schrijven tot aan de vouw;

-           dan controleren — de kinderen komen pas bij de leerkracht als de 3 stroken tot aan de vouw gereed zijn;

-           ten slotte de 3 stroken afwerken.

Kinderen die bepaalde letters vlot kunnen schrijven, kun je individueel aanvullende of vervangende opgaven geven. Zij kunnen op de rechterhelft van het blad bijvoorbeeld korte woorden schrijven.

De linkerhelft van het blad is voor elk kind hetzelfde en wordt ook klassikaal ingeoefend, de rechterhelft kan totaal verschillend zijn per kind. Links is dus klassikaal, rechts is individueel. Op de rechterhelft kun je dus bijvoorbeeld ook eerder geoefende letters – die nog niet goed gekend zijn - opnieuw laten schrijven.

54e dag

De letters u, i en n.

 

Je begint met de ongepunte i in een ritme van 4-3-2-1-4-3-2-1-… of een ander ritme, maar steeds de verbonden lettervorm eerst, dan pas de vrijstaande letter. Pas als de i apart staat zet je er een punt op.

 

Waarom geen punt op de verbonden i’s? Omdat ze hier nog refereren aan de bandversiering en pas bij de aparte letter de overgang maken naar de letter i.

Als vanzelf ontstaat de schrijfwijze van de letter u en de combinatie ui.

De letter n in de derde balk krijgt een ritme mee: bijvoorbeeld 4-2-1-4-2-1-… Als een kind onoplettend het ritme niet perfect naleeft, is dat geen probleem.

 

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: in, nu, min, muis, huis, muur, lui, uil, nul, muil, mug, enz.

 

Vervangende en aanvullende woorden zijn alleen nodig voor kinderen die al voldoende vlot kunnen schrijven. In deze fase zullen dat er nog weinigen zijn, maar later kunnen de woorden als herhaling van bepaalde letterverbindingen aan bod komen. Zolang de kinderen de bladen met 6 stroken gebruiken is er weinig ruimte om deze woorden te schrijven, je kunt ze echter ook laten schrijven ter afwisseling van taal- en rekenopdrachten op gelijnde of geruite bladen of je geeft een extra blad met 6 stroken.

Als je woorden met een i erin laat schrijven, vraag dan aan de kinderen om eerst het hele woord te schrijven en pas daarna het puntje op de i te zetten.

De werkwijze is als volgt:

1. Links tegen de rand heb je uu, ui en nnnn heel zacht voorgeschreven in potlood. Dit hoef je niet te doen voor álle kinderen, je doet het alleen voor die kinderen van wie je weet dat het een hulp kan zijn.

2. De kinderen gaan met hun schetspotlood over de voorgeschreven letters en vullen dan de rij aan tot aan de vouw in het midden van het blad. Als een kind uit verstrooidheid over de vouw gaat, is dat geen probleem.

Zijn de drie stroken op de linkerhelft afgewerkt, dan toont het kind je zijn blad. Je beoordeelt niet te streng en wijst of duidt aan welke letters  geslaagd zijn.

3. Is de linkerhelft goed geschreven of min of meer oké, dan mag het kind de rechterhelft van de stroken afwerken tot aan de rechterrand. Indien nodig schrijf je de letters nog eens voor.

De kinderen die de linkerhelft van de balken goed geschreven hebben, kun je op de rechterhelft woorden laten schrijven. Je kiest eerst woorden zonder lussen, daarna – als het resultaat goed is – laat je ook woorden met een lus erin schrijven. Je kunt dus differentiëren, zodat ieder kind een opdracht krijgt volgens zijn mogelijkheden. De lussen komen best niet tot aan de bovenrand van de blauwe strook. In deze fase is het echter geen probleem als dat toch gebeurt, later worden de lussen toch nog intensief geoefend.

Zijn er op de linkerhelft te weinig letters geschreven omdat het kind de spaties te groot gemaakt heeft of de letters te veel uitgerekt heeft, dan wijs je daar even op en laat je de rechterhelft verder aanvullen met letters die dichter bij elkaar staan.

55e dag:

De letters m, v en w.


Op de kleurstroken 4, 5 en 6 komen de letters m, v en w.

Het ritme bij de m is in dit voorbeeld 2-1-2-1-2-1-…

Het ritme bij de v is 4-3-2-1-4-3-2-1-…

De w verbind je direct met de i omdat dit gemakkelijker is dan een aantal verbonden w’s achter elkaar.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: mul, nul, wit, vuil, vul + een keuze uit de woorden van de vorige dag (ui, nu, in …).

 

De rechterhelft van het blad laat je – na controle van de linkerhelft – aanvullen met letters of met woorden. Als je woorden laat schrijven, vraag dan ineens ook aandacht voor de hoogte van de lus bij de letter l en de hoogte van de t. De lus van de l komt net niet tegen de bovenrand van de blauwe strook. De top van de t komt halverwege de blauwe strook en de neus (het horizontale streepje) ligt op de scheiding van de witte en de blauwe strook. Je hoeft dit nog niet al te streng te beoordelen, want later komen er nog vele oefeningen op de lussen en de streepjes in de groene en blauwe stroken. Het is zinvol om er nu toch al aandacht aan te besteden zodat de kinderen er al over gehoord hebben tegen de tijd dat ze er echt op zullen oefenen.

56e dag:

De letters w, r en r+ui


De w gecombineerd met i en n.

De r hier eerst in een ritme van 5-3-1-5-3-1-… of een ander ritme.

Daarna volgt een herhaling van u en i in verbinding met r.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: 

vuur, muil, ruik, ril, mus, nul + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

57e dag:

r+u+w, letter s, m+u+s


De letter r in combinatie met u en w.

De letter s in een ritme van 4-3-2-1-4-3-2-1-… of een ander ritme.

De letter s in combinatie met m en u.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: mug, lus, sul, ruilen + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

58e dag:

c, a en o


De c in een ritme van 6-4-2-1-6-4-2-1-…

De a in een ritme van 2-1-2-1-…

(lange aa en korte a, maar bij het lezen kan de enkele a ook lang klinken).

De o in een ritme van 2-1-2-1-…

(lange oo en korte o, maar bij het lezen kan de enkele o ook lang klinken.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: uch, lach, och + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

Dag 59:

e, een, ei


De letter e in een ritme van 5-3-1-5-3-1-…

De e verbonden met de n.

De e verbonden met de i: dit geeft de schrijfwijze van de tweeklank ei.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: 

ruilen, wenen, wensen, lachen, mol, rollen + een keuze uit de woorden van de vorige

    dagen.

60e dag:

l, b, h


Hier komen de hoge lussen.

De lussen komen net niet tegen de bovenrand van de blauwe band.

Eerst de eenvoudige letter l: 4-3-2-1-4-3-2-1-…

Dan de b: 3-1-3-1-3-1-… Let op de duidelijke verbinding tussen de b’s.

De letter h: 4-2-1-4-2-1-…

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: halen, malen, ballen, willen, wissen, vissen, lussen + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

61e dag:

k, f, j


De letter k: 2-1-2-1-…

De letter f: 3-1-3-1-…

De letter f gaat over drie banden. In de hoogte zoals de l, b, h en k, in de diepte tot de helft (of iets meer) van de groene band.

De letter j: 3-3-1-3-3-1-…

De kinderen mogen de puntjes op de j pas zetten als ze de 3 j’s geschreven hebben.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: kussen, kus, juffen, juf, maf, lukken + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

62e dag:

jij, ag, g


Het woord jij. Eerst de drie letters schrijven, dan pas de puntjes erop zetten. De letter g laat je voorafgaan door de a omdat de beweging van de a gemakkelijk kan overgaan in die van de g. Hier schrijven de kinderen alle letters aan elkaar.

De letter g in de derde balk: 2-1-2-1-…

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: lagen, lachen, jij mag, jullie, muggen + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

63e dag:

ad, a, t


De letter d ontstaat uit de beweging van de letter a. Ook hier een doorlopende band (eerst tot aan de vouw, later verder).

De letter a: 2-1-2-1-…

De letter t: 4-3-2-1-4-3-2-1-…

De letter t komt tot halverwege de blauwe band. Het horizontale streepje komt op de grens tussen witte en blauwe band of er net boven.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: dada, mama, tut, lucht, witte + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

64e dag:

p, q, z


De letter p: tot halverwege de groene band. 3-2-1-3-2-1-…

De q mag apart blijven staan of in verbinding met de u.

De z: 4-2-1-4-2-1-…

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: papa, pap, suiker, zagen, plagen + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

65e dag:

y, x, stofje


De y (ypsilon): 3-1-3-1-…

De x oefen je eerst apart, daarna verbonden.

Deze reeks oefeningen over de letters sluit je af met bijvoorbeeld het woord stofje, waarin haast alle bewegingen van de kleine letters van het verbonden schrift aan bod komen.

Vervangende of aanvullende woorden kunnen bijvoorbeeld zijn: zuilen, zeilen, zoeken + een keuze uit de woorden van de vorige dagen.

Tijdens de voorbije oefeningen op de bladen met zes stroken zijn – waarschijnlijk – alle kinderen van het schetspotlood overgeschakeld op de vulpen of de dunne tekenstift. Het verbonden schrift kun je nu verder laten oefenen op ware grootte. De bladen met 9 stroken blauw-wit-groen zijn hierbij een hulp, maar tijdens reken- en taalperiodes kunnen de kinderen ook oefenen op de gelijnde bladen en schriften, waarbij de afstand tussen de lijnen 8 mm is of op geruite bladen of schriften waarbij de afstand tussen de lijnen 10 mm is. Ik geef de voorkeur aan bladen en schriften met commerciële (rechthoekige) ruiten, met een lijnafstand van 8 mm. 

Het is zinvol om reken- en taaloefeningen regelmatig af te wisselen met schrijfoefeningen omdat deze een moment van ontspanning kunnen zijn tussen het geconcentreerd rekenen of schrijven.

Met de opgaven van de 65e dag hebben de kinderen 13 weken lang dagelijks geoefend op het verbonden schrift. Zijn ze ermee begonnen op de eerste dag van het schooljaar dan is het nu bijna Kerstmis. Zij kunnen nu onmiddellijk beginnen met het schrijven van woorden, maar kunnen er ook mee wachten tot de eerste schooldag van het tweede trimester.

Op de bladen met 9 stroken blauw-wit-groen hoef je geen bepaalde methode of een vast schema te volgen. Het beste is om woorden die in een of andere les aan bod gekomen zijn in verbonden schrift te schrijven op deze bladen. Heb je in de klas bijvoorbeeld gesproken over de tijd, dan kun je op deze oefenbladen de woorden uur, klok, wijzer enz. laten schrijven. Steeds weer tot aan de vouw in het midden van het blad. Heeft een kind de letters en de verbindingen goed geschreven, dan kan het op de rechterhelft een ander woord schrijven of een extra oefening maken over letters of letterverbindingen die eerder minder

Woorden oefenen

goed geslaagd waren. Je kunt bijvoorbeeld klassikaal drie woorden opgeven zoals hierboven, en tijdens het zelfstandige werk kun je nieuwe woorden opgeven of oefeningen over minder gekende letters en letterverbindingen laten maken.

Wil je toch liever methodisch te werk gaan, volg dan – bij wijze van voorbeeld – onderstaande volgorde, waarbij letters binnen de woorden verbonden worden. Deze volgorde is niet belangrijk en kan naar believen aangepast worden.

Korte woorden hoeven – als ze tot aan de vouw goed geschreven zijn – niet over de hele lengte van de strook aangevuld te worden. Vanaf de vouw kun je een ander kort woord laten schrijven.

Je begint bijvoorbeeld met het woord in en vanaf de vouw laat je bijvoorbeeld min of pin of zin of kind of zing of pinnen of zingen … schrijven.

EEN MOGELIJKE VOLGORDE VAN DE OPGAVEN:

Verbindingen met i, j, m, n, p en u.

            Bijvoorbeeld: min, pijl, samen, ananas, appel, muur.

Verbindingen met e.

   Bijvoorbeeld: wenen, zeven, geef, bel, hebben.

Verbindingen met r, s en t.

            Bijvoorbeeld: varen, vissen, poten.

Verbindingen met a, d, g en o.

            Bijvoorbeeld: tram, adem, vegen, kom.

Verbindingen met b, f, h, k, en l.

            Bijvoorbeeld: abc, seffens, school, vake, smullen.

Verbindingen met v, w en z.

            Bijvoorbeeld: boven, duwen, vazen.

Verbindingen met c, q, x, en y.

            Bijvoorbeeld: ach, quad, oxo, bye, quinoa.

ANDERE LETTERVORMEN

Verschillende schrijfmethodes bevatten andere lettervormen voor het verbonden schrift dan hierboven is aangegeven. Zo vind je onder andere de volgende variaties:

De letter e schrijft men in alle schrijfmethodes zo:

Ik geef de voorkeur aan deze schrijfwijze: 

De letter f:

Pennenstreken (Zwijsen) biedt deze schrijfwijze aan:

Van A tot Z (Averbode) geeft de voorkeur aan:

Schrijfdans raadt deze schrijfwijze aan:

Mijn keuze is deze:  

Schrijffontein en Van A tot Z laten de letters m, n en p beginnen met een scherpe aanzet, zoals ik dit ook verkies, maar Schrijftaal en Pennenstreken geven de voorkeur aan een ronde aanzet.

De letter t schrijft men in Schrijffontein zo:

terwijl alle andere methodes en ook ik deze schrijfwijze kiezen:

De letter q krijgt bij Pennenstreken, Schrijffontein en Schrijftaal een verbindingsstreepje onderaan:

Ik geef, net als Van A tot Z de voorkeur aan een verbindingsstreepje op de steunlijn:

Is het belangrijk welke lettervorm je kiest?

Niet echt. Zolang de letter goed te onderscheiden is van andere letters is er geen probleem. De meeste schrijfmethodes kiezen ervoor om de lettervorm zodanig te vereenvoudigen dat de letters nauw aansluiten bij de gedrukte letters. Zelf vind ik dit niet nodig en mogen handgeschreven letters een eigen karakter hebben en hoeft de vorm ervan ook niet vereenvoudigd te worden. De letter e is in mijn handschrift complexer dan wat andere schrijfmethodes voorstellen om het onderscheid met de letter l duidelijk te maken, zeker als kinderen op ongelijnd papier schrijven – wat in vakken als geschiedenis, fysica, aardrijkskunde e.a. veel voorkomt. Mijn keuze voor deze e is ook ingegeven door de beweging die de hand maakt bij het schrijven. Vóór je de e aanvat is er een zeer korte cesuur, wat ervoor zorgt dat de letter mooier wordt en niet ontaardt in een klein, onooglijk, verwaarloosd lusje of uitgroeit tot een l.

RECHT of HELLEND?

Ik geef de voorkeur aan het naar rechts hellend schrift omdat dit beter in de hand ligt. Voor linkshandigen is dit wat moeilijker, maar zij kunnen kiezen voor een recht of een naar links hellend schrift.

 

Schrijfdans en Dwaalspoor dyslexie kiezen voor een recht schrift, waarschijnlijk omdat dit beter aansluit bij de gedrukte letter. Dwaalspoor Dyslexie laat de hoofdletters wél heel licht naar rechts hellen, de kleine letters niet.

DE HOOFDLETTERS

Tot nu (aanvang of midden tweede trimester) schrijven de meeste kinderen in de eerste klas hun voornaam in kapitalen (drukletters) zoals ze dat sinds hun kleutertijd gewoon waren. Sommigen zullen spontaan hun naam al in verbonden schrift schrijven en doen dit meestal volledig in kleine letters. Maar mogen – en kunnen – de kinderen nu hun naam in verbonden schrift schrijven én met een hoofdletter zoals het hoort?

Omdat alle bewegingen van het verbonden schrift – ook van de hoofdletters – al eerder geoefend zijn, kun je de kinderen hun naam met de erbij horende hoofdletter laten schrijven. Indien nodig kun je hen eerst een rijtje van die hoofdletter laten oefenen. Deze hoofdletters laat je niet aan elkaar schrijven; het heeft trouwens geen zin om ze met elkaar te verbinden aangezien hoofdletters altijd aan het begin van een woord staan.

De kinderen leren dus aanvankelijk alleen de hoofdletter van hun eigen naam. Als ze na enkele weken oefenen met losse woorden het verbonden schrift vlot genoeg hanteren, kunnen ze ook zinnen schrijven. Omdat een zin met een hoofdletter begint, zullen er verschillende hoofdletters aan bod komen. Eerst zullen de kinderen dit spontaan oplossen door een drukletterkapitaal te schrijven, maar dit laat je best niet te vaak gebeuren. Tijd dus om de hoofdletters van het verbonden schrift te oefenen. Kinderen die eraan toe zijn, mogen deze oefenen op individuele basis.


Bijvoorbeeld:

Korte zinnen, onder andere uit de sprookjes van Grimm, maar ook uit andere kinderboeken, en natuurlijk ook zelfverzonnen zinnen kun je nu laten schrijven. Deze zinnen schrijf je in verbonden schrift voor op een blad, zodat je ieder kind een andere tekst kunt geven. Je kunt ook twee of meer kinderen dezelfde tekst laten overschrijven.

Na enkele weken met individuele opgaven kun je de hoofdletters van het verbonden schrift klassikaal oefenen als onderdeel van de lessen vormtekenen. Dit gebeurt op de bladen met 6 of 9 stroken. Een halve lijn per hoofdletter is voldoende, je kunt dus 18 hoofdletters oefenen op 1 blad.  Hoofdletters die niet goed geslaagd zijn, kun je later individueel extra laten oefenen.

Het oefenen van de hoofdletters van het verbonden schrift kan in deze volgorde gebeuren:

I, V, W, H, K, J, F, Z, T, S, L, E, P, B,

R, D, U, Y, X, O, Q, C, A, N, M, G.

Waarom deze volgorde?

I, V, W, H, K, J vormen de grootste groep hoofdletters met dezelfde aanzet bovenaan.

F, Z, T hebben dezelfde aanzet als de vorige reeks, maar groter.

S, L, E hebben een kleine krul bovenaan.

P, B, R vertrekken bovenaan en hebben een krul die rechts van de neergaande lijn komt.

D heeft dezelfde neergaande lijn als P, B en R.

De hoofdletters B, R en P kun je op 2 manieren schrijven en oefenen: ofwel met een lijn die doorloopt, ofwel met een onderbreking.

U, Y, X hebben bovenaan dezelfde aanzet als P, B en R.

O, Q beginnen bovenaan.

C begint ook bovenaan, maar iets meer naar rechts dan O en Q, gaat naar boven en maakt dan dezelfde neerwaartse beweging als de O. De C kun je ook met een aanzet vanaf de onderste steunlijn schrijven. Die lijn gaat dan schuin omhoog tot het punt waar je met de C begint.

De hoofdletter Q kun je op 3 manieren schrijven en oefenen:

zoals de O met rechtsonder een krul zoals de drukletter;

zoals de O met rechts een schuine rechte lijn (zoals de kleine letter);

zoals het cijfer 2, maar met een verlengde aanzet.

A, N, M beginnen beneden op de steunlijn.

G begint op de steunlijn en is de enige hoofdletter die over de drie stroken gaat.

Je kunt met het oefenen van de hoofdletters doorgaan tot het einde van de tweede klas. Het oefenen hoeft niet steeds op de bladen met blauw-wit-groene stroken, het kan ook op gelijnd of geruit papier. Tijdens rekenperiodes kun je regelmatig een bepaalde hoofdletter als intermezzo laten schrijven tussen de rekenopgaven. In de lessen vormtekenen kun je hoofdletters of onderdelen van een hoofdletter als bandversiering (fries) laten tekenen, of je herneemt een van de bandversieringen, al dan niet met een variatie erop.

Andere schrijfmethodes over hoofdletters

Omdat schoonheid belangrijk is, houd ik erg veel van de sierlijke hoofdletters met mooie, maar niet overdreven krullen. De meeste schrijfmethodes hebben echter de handgeschreven hoofdletters zo sterk vereenvoudigd, dat ze op de grote drukletters (kapitalen) lijken.

Sommige methodes, zoals Schrijfdans en Dwaalspoor dyslexie, verbinden de hoofdletters zelfs niet met de erop volgende kleine letters. Erik Moonen in Dwaalspoor dyslexie verwoordt het zo:

‘Kapitalen staan los van de daarop volgende kleine letters, maar de afstand tussen de kapitaal en de letter erna is kleiner dan de afstand tussen twee woorden. Het moet altijd duidelijk blijven dat de kapitaal bij het woord hoort.’

Mijn voorkeur gaat uit naar hoofdletters die verbonden zijn met de kleine letter die erop volgt, zoals in de voorbeelden op bladzijde 57.

VIER VERSCHILLENDE LETTERTYPES

Kapitalen hebben een opdringerig karakter. In de maatschappij komen ze voor waar iets zeer belangrijks meegedeeld wordt of waar bijvoorbeeld gevaar dreigt (STOP!) of waar iets wil opvallen (reclame).

Onderkastletters (leesletters) zijn meer bescheiden dan de kapitalen. Oneindige combinaties met leesletters zijn mogelijk om woorden en teksten te vormen, want deze letters willen iets meedelen (wegwijzers, teksten, mededelingen enz.) zonder zelf al te veel op te vallen. Zij zijn de vriendelijke gebruiksletters bij uitstek:

Verbonden schriftletters (handschrift) zijn de kleine kinderen onder de lettertypes. Ze zoeken steun en houvast bij elkaar, woord per woord, maar als het eindelijk, na veel oefenen, vlot gaat, krijgen ze ook iets vrolijks en speels. Zij zijn de basis van de persoonlijk geschreven teksten en openbaren de persoonlijkheid van de schrijver:

Hoofdletters van het verbonden schrift zijn de hyperkinetische types  onder de letters. Zie eens hoe luchtig, sierlijk en beweeglijk ze zijn, maar bijna onleesbaar als je er een tekst mee schrijft:

Is het niet verwarrend om in de eerste klas vier verschillende lettertypes aan te leren? Mijn ervaring is dat dit geen noemenswaardige problemen oplevert. Zodra de kinderen één lettertype goed kennen, nemen ze de andere lettertypes er als vanzelfsprekend bij.

Het gebruik van de verschillende lettertypes

Op het bord:

Titels schrijf je in grote drukletters (kapitalen), in kleur.

Alle teksten bestemd om klassikaal te lezen, schrijf je met kleine drukletters (kleine blokletters ofte leesletters ofte onderkastletters) in de eerste klas, met kapitalen waar nodig, en in kleur. In de loop van de eerste klas en ten laatste vanaf de tweede klas schrijf je deze teksten in verbonden schrift.  

Teksten die de kinderen overschrijven van het bord, schrijf je in verbonden schrift met kleurkrijt. Als je voor elke zin of elke regel een andere kleur gebruikt, hebben de kinderen een houvast om te weten waar ze gekomen zijn bij het overschrijven. Vanaf de derde klas hoef je teksten in verbonden schrift niet meer altijd met kleurkrijt te schrijven, je schakelt geleidelijk aan over op wit krijt.

Op de oefenbladen:

Analyse- en syntheseoefeningen waarbij de kinderen van de eerste klas letters in woorden moeten herkennen om er nieuwe woorden mee te maken, mogen ze nog in grote drukletters schrijven, bij voorkeur met een schetspotlood (HB). Maar de kinderen die het verbonden schrift beheersen, gebruiken vanzelfsprekend dit schrift.

Dictee van woorden en heel korte zinnen schrijven de kinderen in verbonden schrift, bij voorkeur met een schetspotlood. Hebben kinderen nog problemen met het verbonden schrift, dan mogen ze nog gedurende een korte overgangstijd de kapitalen gebruiken.  

In de schriften en op de werkbladen:

Titels schrijven de kinderen in grote drukletters met kleurpotlood of met een kleurstift. Teksten schrijven ze in verbonden schrift met een schetspotlood of met een stift (zwart of kleur) of met een vulpen. Zodra het verbonden schrift zeer goed gekend is, laat je alle mogelijke variaties toe. Zo kunnen er titels in fantasievolle kapitalen en kleine drukletters ontstaan en kunnen de teksten deels in verbonden schrift, deels in kleine drukletters en kapitalen gebeuren. Hoe meer de kinderen schrijven, hoe meer je hun bepaalde vrijheden kunt geven in het gebruik van de lettertypes.

Titels

Elke schrijf- en rekenopdracht krijgt een mooie, verzorgde titel mee. Dankzij die titel kun je onmiddellijk zien waarover de opdracht gaat. Kinderen besteden graag tijd aan het maken van een mooie titel, maar daarbij kan er een probleem rijzen. Als de kinderen hun werk aanvatten met het tekenen van een titel, gaat er veel tijd verloren voor het maken van de opdracht zelf. Om dit te vermijden kun je de titel eerst heel zacht in schetspotlood laten schrijven en later, als de oefeningen gemaakt zijn, in kleurpotlood laten afwerken. Of je vraagt de kinderen om boven aan het blad een spatie te laten, waarin ze dan later in de klas of thuis een mooie titel kunnen tekenen. Die spatie hoeft niet altijd bovenaan, die kan ook midden op het blad of zelfs onderaan. In de eerste klas kan de titel best in kapitalen (grote drukletters of blokletters) getekend worden en kan elke letter met twee of meer kleuren aangedikt worden.

De kapitalen waarmee de kinderen in de eerste klas zo vertrouwd waren kunnen in de volgende klassen weer aan bod komen om titels te tekenen. Later, in de 2e, 3e enz. klas kunnen die titels in andere lettertypes of in rijk versierde, beweeglijke lettertypes verschijnen. In titels kunnen dan ook de ‘leesletters’ ofte onderkastletters gebruikt worden. Ieder kind kan daarin zijn creativiteit botvieren. Sommige kinderen kunnen eindeloos aan een titel werken door er nog een mooie lijn onder te zetten of door de titel van een kleurrijk kader te voorzien. Lijn en kader hoeven echt niet om een titel te laten opvallen. Als de letters van de titel mooi groot en kleurrijk zijn, valt de titel vanzelf op.

Op een dag kwam een moeder van een leerling uit de zesde klas bij me. Ze had een klacht in verband met het huiswerk: ‘Ik heb vanmorgen  ontdekt dat mijn dochter om vijf uur opgestaan was. Toen ik vroeg waarom ze zo vroeg opstond, zei ze dat ze elke ochtend zo vroeg opstond om haar huiswerk te maken. Geef jij zo veel huiswerk dat mijn kind om vijf uur moet opstaan?’

‘Maar ik geef helemaal geen huiswerk,’ antwoordde ik, ‘de kinderen mogen naar eigen goeddunken werk afmaken dat in de klas niet afgeraakt is. Maar ik zal er eens met je dochter over spreken.’

Toen ik in de loop van de dag terloops aan het meisje vroeg of het echt nodig was om zo vroeg op te staan om huiswerk te maken, antwoordde ze: ‘Dat is maar om de titels te tekenen. Ik vind dat leuk om te doen.’ De titels in haar schriften en op de werkbladen waren inderdaad zeer mooi. Die avond kon ik haar moeder geruststellen.

Enkele voorbeelden van titels

Cijfers en getallen

Zodra je met de rekenlessen (rekenperiode) aanvangt, oefen je ook het schrijven van de cijfers. Voor- en nadoen is de meest aangewezen methode daarvoor. In schoolboeken werkt men graag met aanzetpunten en pijltjes die de richting van het schrijven aangeven, maar in de klas kun je meer bereiken door goed voor te doen en regelmatig te oefenen. Vermijd in elk geval om tekens op de cijfers aan te brengen om aan te geven waar men moet beginnen, want de kinderen nemen deze tekens over en later moeten ze dit dan weer afleren.

Een veel voorkomend probleem is het schrijven van getallen met tientallen erin. Nogal wat kinderen hebben de neiging om de cijfers van getallen te schrijven in de volgorde waarin ze deze horen. Daardoor schrijven ze eerst de eenheden en pas daarna de tientallen.

Het is een probleem dat zich stelt in het Nederlands en het Duits; onder andere Franstalige, Engelstalige en Italiaans- en Spaanssprekende kinderen hebben er geen last van als ze getallen in hun taal gedicteerd krijgen.

Vele kinderen schrijven het getal 15 zo: eerst de 5, daarna de 1. Het getal 28 beginnen ze met de 8, waarna ze de 2 links van de 8 schrijven. Maar net zoals je woorden van links naar rechts schrijft, schrijf je ook de getallen van links naar rechts. 15 schrijf je dus zo: eerst het cijfer 1, daarna het cijfer 5 en van het getal 28 schrijf je eerst het cijfer 2 en daarna pas het cijfer 8.

Helemaal moeilijk wordt het met getallen waarin ook honderdtallen voorkomen. Het getal 146 durven kinderen op de volgende manier schrijven: eerst de 1, dan de 6 en daarna de 4, terwijl het beter is om de richting van links naar rechts consequent aan te houden en dus eerst de 1, dan de 4 en ten slotte de 6 te schrijven.

Door regelmatig getallendictees te geven, kun je de correcte schrijfwijze laten oefenen. Bij het dicteren laat je dan ook het getal pas opschrijven als je het hele getal gezegd hebt. In een latere fase (3e – 4e klas) is het goed om dikwijls getallen te dicteren waarin het cijfer nul een rol speelt. Bijvoorbeeld getallen als 308, 1057, 8006, 2019, 10.501, 30.090 enz.

Op de site https://cielen.eu/klassen/klas-1.html kun je de schrijfwijze van de cijfers bekijken. Van het cijfer 7 vind je er een Nederlandse en een Belgische versie en je kunt er zien hoe je het cijfer 8 op drie verschillende manieren kunt schrijven.

Net zoals je de getallen leert schrijven met cijfers, kun je ook de getallen oefenen met letters in het verbonden schrift. Het zijn korte woorden met veel klinkers waarbij vooral de klinker e vaak voorkomt. Dit geeft extra mogelijkheden om de verbinding van deze klinker met de andere letters intensief te oefenen.

Met het schrijven van de getallen kun je ook enkele maaltafels oefenen terwijl je tegelijk het verbonden schrift oefent.

Bijvoorbeeld de maaltafels van 3, 4 en 5


een = 3 (letters)        vier =   4 (letters)        zeven =   5 (letters)

 +                               +                                  +

een = 6                      vier =   8                      zeven = 10

 +                               +                                  +

een = 9                      vier = 12                       zeven = 15

 +                               +                                  +

…                                 …                                 …                   

In de eerste kolom kun je afwisselend andere getallen van drie letters gebruiken. In de plaats van voortdurend het woord een, wissel je af: een – elf – zes – nul – … In de tweede kolom kun je dit doen met vier – drie – acht – vijf – tien – twee… In de derde kolom krijg je afwisselend zeven – negen – zeven – …

Het lijkt verwarrend, maar de kinderen hebben snel door dat het om het aantal letters gaat en niet om de betekenis van het woord.