leren schrijven
Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 

LEREN SCHRIJVEN

 

Het leren schrijven van het gebonden schrift - en de ontwikkeling van een mooi, vlot leesbaar handschrift - is een van de hoofdopdrachten in de eerste klas.

Vanaf de eerste schooldag in de eerste klas beginnen we met het oefenen van het gebonden schrift.

Aanvankelijk zijn dat rechte en gebogen lijnen in kleurpotlood.

Na enkele weken wordt het kleurpotlood vervangen door een schetspotlood (HB). De rechte en gebogen lijnen worden gecombineerd en worden kleiner.

Haast ongemerkt gaan de lijnvormen over in lettervormen en schrijven de kinderen woorden die ze daarna lezen.

Van de woorden gaan we over naar de afzonderlijke lettervormen die intensief geoefend worden. Zowel apart als in alle mogelijke combinaties met andere letters.

De geschreven hoofdletters worden ook via ritmische lijnvormen geoefend.

 

Zodra een kind voldoende zacht kan schrijven met het schetspotlood, mag het beginnen schrijven met de vulpen.

 

----

 

LEREN SCHRIJVEN: DIDACTIEK

Luc Cielen

 

Het leren schrijven wordt voorafgegaan door een lange reeks bandtekeningen (vormtekeningen ofte friezen) waarin alle bewegingen van het gebonden schrift en andere bewegingen aan bod komen.

De reeks begint – zoals Rudolf Steiner het heeft voorgeschreven – met rechte en gebogen lijnen.

 

Papier: A4, liefst 120 g of iets meer met daarop de lijnen geprint, liefst in kleur. Je kunt als leerkracht ook in de plaats van te printen, de lijnen zelf tekenen, dan kun je de afstand tussen de lijnen zelf bepalen.

 

Teken een drietal lijnen (zie de afbeelding onder deze alinea) per opgave op voorhand en zeer zacht met schetspotlood voor op de bladen. Dit doe je met alle opgaven en voor alle kinderen. Merk je dat een kind het niet meer nodig heeft en zelf probleemloos de figuur van het bord kan overnemen, dan teken je de lijn of schrijf je de letter of het woord niet meer voor voor dit kind; wel nog voor de anderen.

Vind je het te veel werk om voor elk kind alles voor te tekenen/schrijven, doe dit dan op één blad en kopieer het. Dit is echter minder persoonlijk. Ik ben er dan ook geen voorstander van. Er gaat niets boven de persoonlijke en individuele aanpak. Kinderen vinden het bijzonder boeiend om te zien hoe de leerkracht het blad voor elk kind klaarmaakt. De leerkracht kan zo trouwens ook de tekening aanpassen aan elk kind, als dat nodig is, en bepaalde vormen meer laten oefenen dan andere.

 

 

Teken de lijnen op het bord en laat de kinderen op verschillende manieren laten natekenen (met een hand in de lucht, met een voet op de vloer, met verschillende vingers op de tafel, op de rug van een klasgenoot, enz.) Iedere leerkracht kan zelf tal van bewegingsmogelijkheden verzinnen en zorgt voor voldoende afwisseling.

 

Op de eerste dag van het schooljaar in de eerste klas begin je met het tekenen van verticale rechte lijnen, onmiddellijk gevolgd door gebogen lijnen en ten slotte afwisselend rechte en gebogen lijnen. Sommige leerkrachten laten de kinderen eerst grote rechte lijnen tekenen op het bord. Dit is een vooroefening die perfect vooraf kan gaan aan het tekenen op het blad, net zoals het tekenen in de lucht of op de vloer of op de tafel.

 

Het is niet per se nodig om op de allereerste schooldag van de eerste klas met deze oefeningen te starten, het kan op eender welk moment in de loop van de eerste klas gebeuren. Het is wel aan te raden om, zodra je ermee begonnen bent, er dagelijks aan voort te werken. Dagelijks drie opgaven volstaan.

 

Sommige leerkrachten laten de kinderen op ongelijnd papier werken en verlangen zelfs dat de kinderen ook op ongelijnd papier schrijven. Dat is echter niet zo gunstig, zeker niet als het om het gebonden schrift gaat. Al van in de oudheid heeft men op lijnen geschreven; zie maar naar de tabletten met spijkerschrift en naar de hiërogliefen. Het gebruik van steunlijnen bevordert de helderheid van het schrift omdat het grootteverschil van de letters duidelijk zichtbaar is. Omdat de bandtekeningen voorbereiden op het gebonden schrift, is het ook aan te raden om de tekeningen tussen steunlijnen te maken.

 

Voor een goede schrijfhouding en een goede potloodgreep (pengreep) is het zelfs beter om met deze oefeningen te starten in de kleuterschool. De eerste reeks tekeningen kunnen schoolrijpe kleuters perfect maken. In een derde kleuterklas kan hiermee na de krokusvakantie gestart worden.

 

WERKWIJZE

1. De bladen uitdelen.

2. De kinderen schrijven hun naam op het blad, bovenaan of onderaan volgens de wensen van de leerkracht.

3. De kinderen vouwen het blad in twee.

4. Na de vooroefeningen gaan de kinderen met een kleurpotlood eerst over de lijnen in schetspotlood en tekenen dan verder tot aan de vouw. De leerkracht volgt op en helpt.

 

 

 

 

 

 

5. Dan de gebogen lijnen in de middelste balk tekenen, volgens hetzelfde principe: eerst over de schetspotloodlijnen gaan met kleurpotlood en dan verder doen tot aan de vouw.

 

 

 

 

 

6. Dan de rechte en gebogen lijnen in de onderste balk tekenen volgens dezelfde werkwijze.

 

 

 

 

 

7. Kinderen die de drie balken tot aan de vouw getekend hebben, tonen hun blad aan de leerkracht. Voldoen de tekeningen min of meer aan de eisen – de leerkracht wijst vooral de geslaagde tekeningen aan – dan geeft de leerkracht toestemming om de drie balken af te werken. Zijn er geen goede lijnen bij, dan tekent de leerkracht er weer enkele voor in schetspotlood.

 

Waarom het blad in twee vouwen?

1. Omdat het blad daardoor beter hanteerbaar is voor de kinderen en de schrijfhouding ook beter is. Hiermee is het grote nadeel van de grote schriften met roze en groene kleurbanden die gewoonlijk in de steinerscholen gebruikt worden uit de weg geruimd.

2. Het is niet zinvol om de teken- en schrijfoefeningen ineens over de gehele lengte van het blad te laten maken. Fouten worden daardoor te veel herhaald of er treedt vermoeidheid en concentratieverlies op waardoor de tekeningen en de letters minder verzorgd worden.

Op het opengevouwen blad tekenen en schrijven de kinderen eerst tot aan de vouw. Dan volgt er controle en daarna pas werken ze elke lijn af.

 

 

 

 

HOE TEKENEN DE KINDEREN DE LIJNEN?

 

1. Ze tekenen elke lijn in één beweging. Ze mogen niet een tweede keer over de lijn gaan.

2. De aanzet van elke lijn moet correct zijn. Als de lijn van boven naar beneden moet gaan, dan beginnen de kinderen ook bovenaan. Loopt de lijn van onder naar boven, dan beginnen ze ook onderaan. De leerkracht besteedt hieraan de nodige aandacht.

3. Ze tekenen elke lijn in een andere kleur. De kinderen zijn vrij in het kiezen van de kleuren. Het is een gelegenheid om al hun kleurpotloden eens te laten gebruiken.

 

Een mogelijkheid is om de tweede helft van het blad slechts met enkele kleuren te laten afwerken met daarbij bijvoorbeeld de opdracht:

2 rode lijnen,

3 blauwe lijnen,

4 groene lijnen,

5 paarse lijnen,

dan weer 2 rode lijnen,

enz.

Dit levert een concentratieoefening op gecombineerd met tellen.

Een van de volgende dagen geef je bijvoorbeeld deze opdracht:

3 blauwe lijnen,

5 paarse lijnen,

3 blauw,

5 paars

enz.

Of 2 oranje, 4 rood, 2 oranje, 4 rood. Aanvankelijk nooit meer dan 5 lijnen in dezelfde kleur omdat dit overzichtelijk blijft. Later, als de kinderen deze opdrachten goed gewoon zijn en ze al veel geoefend hebben rond het getalbegrip, kan het ook met meer dan 5 lijnen in dezelfde kleur.

 

 

 

4. Elke dag drie oefeningen laten maken. Om die reden hebben de bladen 3 balken of een veelvoud van 3.

5. Geraakt het blad niet af in de voorziene tijd, dan is dat geen probleem. Het blad mag onafgewerkt blijven of kan later, zelfs een heel eind verder in het schooljaar, nog afgewerkt worden. Deze bladen zijn ideaal om op een vrij moment te laten afwerken. De kinderen kiezen zelf welk blad ze willen afwerken — de volgorde speelt geen rol — maar de leerkracht kan ook zelf een blad kiezen en laten afwerken. Zorg dat er een plek in de klas is waar deze vormtekeningen per kind bewaard worden, zodat de kinderen ze zelf kunnen nemen. Het moet een gewoonte worden dat ze, zonder de leerkracht daarvoor te storen, hun bladen kunnen nemen en afwerken zodra ze met een andere opdracht klaar zijn. Daardoor vermijd je de vraag: “Juf, ik ben klaar, wat moet ik nu doen?” Hoe minder je deze vraag hoort, hoe beter. Beter voor de rust in de klas en beter voor de zelfstandigheid van de kinderen. De leerkracht houdt daardoor de handen vrij om kinderen te helpen en om individueel en gedifferentieerd te werken.

 

6. De tekeningen wisselen in het begin steeds af: rechte lijnen – gebogen lijnen. Na ongeveer een maand komen er gecombineerde vormen met rechte en gebogen lijnen. Geleidelijk komen dan de lettervormen tevoorschijn – dit wordt niet vooraf gezegd, maar je laat de kinderen de letters ontdekken. Vanaf de 54e dag ontstaan er gebonden letters en woorden. Laat de kinderen zelf de woorden ontdekken tijdens het schrijven.

 

TIJDSCHEMA EN MATERIAALKEUZE

 

Van dag 1 tot en met dag 27:

Bladen met 3 stroken.

De kinderen gebruiken dunne kleurpotloden.

 

Van dag 28 tot en met dag 35:

Bladen met 6 stroken.

De kinderen gebruiken bij voorkeur een schetspotlood HB.

 

of een vulpotlood van Bic.

 

 

Van dag 36 tot en met 53:

Bladen met 9 stroken.

De kinderen gebruiken een schetspotlood en schakelen over op een vulpen of een zwarte tekenstift of een degelijke kleurstift zodra de leerkracht van oordeel is dat het kind eraan toe is.

 

Een zeer geschikte zwarte stift is deze van Staedler Pigment Liner 0.1:

 

Goede kleurstiften zijn deze van Stabilo Point 88 (met een kortere punt dan de meeste andere stiften):

 

 

DE VOLGORDE VAN DE TEKENINGEN:

Aanvankelijk altijd afwisselend rechte lijnen en gebogen lijnen. Vanaf de 21e dag ook combinaties van rechte en gebogen lijnen.

 

 

Tot hiertoe tekenden de kinderen steeds met kleurpotloden en op bladen met drie stroken. Vanaf nu tekenen de kinderen op bladen met 6 stroken en schakelen ze geleidelijk over op het schetspotlood. De afstand tussen de lijnen is nu kleiner en de tekeningen worden meer en meer herkenbaar als letters. Het is aan de kinderen om te ontdekken welke letters te herkennen zijn. In voorbereiding op het gebonden schrift zijn de meeste vormen schuin overhellend naar rechts.

Elk blad komt nu toe voor twee dagen.

 

De meeste letters worden voorbereid door vormtekeningen waarin de lettervorm uitgerekt of verbreed is waardoor duidelijk te zien is welke bewegingen er bij het schrijven aan bod komen.

Aanvankelijk beginnen de kinderen nog met kleurpotlood, maar met de opdracht om de tekeningen zo zacht mogelijk op het blad te zetten. Ze gebruiken dan ook best donkere kleuren. Als dat behoorlijk goed gaat, krijgen ze een schetspotlood.

 

Welk schetspotlood?

HB is goed geschikt. B is te zacht en H is te hard.

De vulpotloden van Bic met drie stiften erin zijn zeer goed geschikt.

Eén nadeel: de schacht is in kunststof.

Maar er zijn drie voordelen:

1. De punt is altijd scherp, puntenslijpers hoeven dus niet.

2. Met één potlood komen de kinderen ruimschoots toe, tenminste als je erop let dat de kinderen de punt niet te lang maken waardoor hij afbreekt.

3. Deze potloden hebben een gommetje. Een kleine fout kan er snel mee hersteld worden.

 

Na 53 dagen zijn alle bewegingen die in het gebonden schrift – ook van de hoofdletters - aan bod komen in tekeningen geoefend. Vanaf nu krijgen de kinderen werkbladen met ingekleurde stroken.

 

In elke strook zijn drie banden:

 

Bovenaan een blauwe band zoals bovenaan in de kindertekeningen van de eerste klas meestal te zien is. Dit is de “lucht”. In de blauwe band komen de omhooggaande lussen en de stokjes van t en d. De lussen mogen vanaf nu niet meer tegen de bovenrand komen. Bij de tekeningen mocht dit wel, bij het schrijven niet.

 

Middenin een witte band met een paarse lijn onderaan. Dit is de steunlijn om op te schrijven. De kleine letters passen net in de witte band: ze staan op de lijn en komen tot aan de blauwe band. Deze band kun je vergelijken met de middenstrook in een kindertekening: het is de strook waarin her verhaal zich afspeelt. Waarom is de middelste band niet geel? Omdat het – afhankelijk van de print of druk – niet zo handig is om er met een vulpen op te schrijven. Bovendien heeft schrijven op het witte blad mijn voorkeur.

 

Onderaan is een groene band die refereert naar de onderkant van de kindertekeningen: het “gras”. Hierin komen de neergaande lussen, maar deze raken nooit de onderste rand van de groene band.

 

 

De kinderen schrijven eerst op bladen met 6 blauw-wit-groene stroken, daarna op bladen met 9 blauw-wit-groene stroken.

 

Bladen met 6 stroken:

Bladen met 6 stroken kun je hier downloaden.

 

Bladen met 9 stroken:

 

Bladen met 9 stroken kun je hier downloaden.

 

Zodra een kind héél zacht met het schetspotlood kan schrijven, mag het met een vulpen of een zwarte tekenstift schrijven. De overgang van potlood naar vulpen/stift gebeurt derhalve niet klassikaal, maar individueel.

 

De reeks tekeningen en letters is geëindigd met de moeilijke letter f, niet als letter maar als tekening, als bandversiering.

 

Vanaf dag 54 beginnen de kinderen met letters en woorden.

In tegenstelling tot alle andere schrijfmethodes begin je niet met afzonderlijke letters, maar met letters die aan elkaar gebonden zijn. Dat kan — en het is ook vanzelfsprekend — omdat bijna alle voorafgaande tekeningen aan elkaar gebonden waren. De kinderen kennen dit dus al en passen dit vanaf nu toe op de letters.

 

Omdat het saai is om een hele lijn met dezelfde letter te vullen is het aangewezen om er een ritme in aan te brengen. Zo kun je vragen om vijfmaal een letter te schrijven, dan viermaal, dan driemaal, dan tweemaal, dan eenmaal en dan weer vijfmaal enz. Maar je kunt dit in verschillende ritmes doen. De voorbeelden hieronder bevatten verschillende ritmes bij wijze van voorbeeld. Waarom verschillende ritmes? Omdat de kinderen daardoor beter geconcentreerd blijven en regelmatig nakijken wat (en hoeveel) ze al geschreven hebben.

 

Het is ook niet nodig om steeds één letter te herhalen. Omdat de verbindingen tussen de letters toch al geoefend zijn, kunnen de kinderen af en toe een woord schrijven op de bladen met 6 stroken. Zodra de kinderen op bladen met 9 stroken beginnen, schrijven ze hoofdzakelijk woorden en korte zinnen en oefenen ze de afzonderlijke letters alleen nog als het nodig is.

 

De opbouw van het schrijven gaat nu verder als volgt:

1. Letters met een scherpe aanzet binnen de witte band: u, i, n, m, v, w, r, s.

2. Letters met een gebogen aanzet binnen de witte band: c, a, o, e.

3. Letters met een lus in de blauwe band: l, b, h, k, f.

4. Letters met een lus in de groene band: j, g.

5. Letters die halverwege de blauwe band komen: d, t.

6. Letters die halverwege de groene band komen: p, q.

7. De letters z, y en x.

 

Bladen met 6 stroken kun je hier downloaden.

 

54e dag

De letters u, i en n.

Begin met de ongepunte i in een ritme van 4-3-2-1-4-3-2-1-… of een ander ritme, maar steeds de gebonden lettervorm eerst, dan pas de vrijstaande letter. Pas als de i apart staat zet je er een punt op.

Waarom niet op de gebonden en ongepunte i’s? Omdat deze nog refereren naar de bandversiering en nu pas de overgang maken naar de letter i.

Als vanzelf ontstaat de schrijfwijze van de klank ui.

De letter n krijgt een ritme mee: 4-2-1-4-2-1-…

 

 

55e dag:

De letters m, v en w.

Het ritme bij de m is hier 2-1-2-1-2-1-….

Het ritme bij de v is 4-3-2-1-4-3-2-1-…

De w verbind je direct met de i omdat dit gemakkelijker is dan een aantal gebonden w’s achter elkaar.

 

 

56e dag:

De letters w en r.

De w gecombineerd met i en n.

De r eerst in een ritme van 5-3-1-5-3-1-…

Daarna verbonden met u en i.

 

 

 

57e dag:

De letter r in combinatie met u en w.

De letter s in een ritme van 4-3-2-1-4-3-2-1-…

De letter s in combinatie met m en u.

 

 

 

58e dag:

De c in een ritme van 6-4-2-1-6-4-2-1-…

De a in een ritme van 2-1-2-1-…

(lange aa en korte a)

De o in een ritme van 2-1-2-1-…

(lange oo en korte o)

 

 

 

 

59e dag:

De letter e in een ritme van 5-3-1-5-3-1-…

De e verbonden met de n.

De e verbonden met de i: dit geeft de schrijfwijze van de tweeklank ei.

 

 

 

60e dag:

Hier komen de hoge lussen.

De lussen komen net niet tegen de bovenrand van de blauwe band.

Eerst de eenvoudige letter l: 4-3-2-1-4-3-2-1-…

Dan de b: 3-1-3-1-3-1-… Let op de duidelijke verbinding tussen de b’s.

De letter h: 4-2-1-4-2-1-…

 

 

 

61e dag

De letter k: 2-1-2-1-…

De letter f: 3-1-3-1-…

De letter f gaat over drie banden. In de hoogte zoals de l, b, h en k, in de diepte tot de helft (of iets meer) van de groene band.

De letter j: 3-3-1-3-3-1-…

De kinderen mogen de puntjes op de j pas zetten als ze de 3 j’s geschreven hebben.

 

 

 

62e dag:

Het woord jij. Eerst j-i-j schrijven, dan pas de puntjes erop zetten.

De letter g laten we voorafgaan door de a omdat de beweging van de a gemakkelijk kan overgaan in die van de g. Hier komt ter afwisseling geen splitsing tussen de letters.

De letter g: 2-1-2-1-…

 

 

 

63e dag:

De letter d ontstaat uit de beweging van de letter a. Ook hier geen splitsing, maar een doorlopende band (eerst tot aan de vouw, later verder).

De letter a: 2-1-2-1-…

De letter t: 4-3-2-1-4-3-2-1-…

De letter t komt tot halverwege de groene band. Het horizontale streepje op de grens tussen witte en groene band.

 

 

 

64e dag:

De letter p: zoals de t tot halverwege de groene band. 3-2-1-3-2-1-…

De q mag apart blijven staan.

De z: 4-2-1-4-2-1-…

 

 

 

65e dag:

De y (ypsilon): 3-1-3-1-…

De x houden we ook nog even apart. Deze reeks oefeningen over de letters sluit je af met bijvoorbeeld het woord stofje, waarin haast alle bewegingen van het gebonden schrift aan bod komen.

 

 

 

Tijdens de voorbije oefeningen op de bladen met zes stroken zijn alle kinderen van het schetspotlood overgeschakeld op de vulpen of de zwarte tekenstift. Het gebonden schrift kan nu verder ingeoefend worden op ware grootte. De bladen met 9 stroken blauw-wit-groen zijn hierbij een hulp, maar tijdens reken- en taalperiodes kunnen de kinderen ook oefenen op de gelijnde of geruite bladen van hun schriften. In dit geval laat je best tussen elke oefening een lijn open. Het is trouwens heel zinvol om reken- en taaloefeningen regelmatig af te wisselen met schrijfoefeningen omdat deze een moment van ontspanning kunnen zijn tussen het geconcentreerd rekenen of schrijven. Zoals bijvoorbeeld in de tweede klas:

 

 

Bladen met 9 stroken kun je hier downloaden.

 

Met de opgaven van de 65e dag hebben de kinderen nu 13 weken lang dagelijks geoefend op het verbonden schrift. Zijn ze ermee begonnen op de eerste dag van het schooljaar dan is het nu bijna Kerstmis. Zij kunnen nu onmiddellijk beginnen met het schrijven van woorden, maar kunnen er ook mee wachten tot de eerste schooldag van het tweede trimester.

 

Op de bladen met 9 stroken blauw-wit-groen hoef je geen bepaalde methode of een vast schema te volgen. Het beste is om woorden die in een of andere les aan bod gekomen zijn nu in verbonden schrift te schrijven op deze bladen. Heb je in de klas bijvoorbeeld gesproken over de tijd, dan kun je op deze oefenbladen de woorden uur, klok, wijzer enz. laten schrijven. Steeds weer tot aan de vouw in het midden van het blad. Heeft een kind de letters en de verbindingen goed geschreven, dan kan het op de rechterhelft een ander woord schrijven of een extra oefening maken over letters of letterverbindingen die eerder minder goed geslaagd waren.

Je kunt bijvoorbeeld klassikaal drie woorden opgeven zoals hierboven, en tijdens het zelfstandig werk kun je nieuwe woorden opgeven of oefeningen over minder gekende letters en letterverbindingen laten maken.

 

Wil je toch liever methodisch te werk gaan, volg dan – bij wijze van voorbeeld – onderstaande volgorde, waarbij letters binnen de woorden verbonden worden. Deze volgorde is niet belangrijk en kan naar believen aangepast worden.

 

Korte woorden moeten – als ze tot aan de vouw goed geschreven zijn – niet over de hele lengte van de strook aangevuld worden. Vanaf de vouw kun je een ander kort woord laten schrijven.

Je begint bijvoorbeeld met het woord in en vanaf de vouw laat je bijvoorbeeld min of pin of zin of kind of zing of pinnen of zingen … schrijven.

 

EEN MOGELIJKE VOLGORDE VAN DE OPGAVEN:

1. Verbindingen met i, j, m, n, p en u.

Bijvoorbeeld: min, pijl, samen, ananas, appel, muur.

2. Verbindingen met e.

Bijvoorbeeld: wenen, zeven, geef, bel, hebben.

3. Verbindingen met r, s en t.

Bijvoorbeeld: varen, vissen, poten.

4. Verbindingen met a, d, g en o.

Bijvoorbeeld: tram, adem, vegen, kom.

5. Verbindingen met b, f, h, k, en l.

Bijvoorbeeld: abc, seffens, school, vake, smullen.

 

6. Verbindingen met v, w en z.

Bijvoorbeeld: boven, duwen, vazen.

7. Verbindingen met c, q, x, en y.

Bijvoorbeeld: ach, quad, oxo, bye.

 

 

DE HOOFDLETTERS

Tot nu (aanvang tweede trimester) schrijven de meeste kinderen in de eerste klas hun voornaam in kapitalen (drukletters) zoals ze dat sinds hun kleutertijd gewoon waren. Sommigen zullen spontaan hun naam al in verbonden schrift schrijven en doen dit meestal volledig in kleine letters. Maar mogen – en kunnen – de kinderen nu hun naam in verbonden schrift schrijven én met een hoofdletter zoals het hoort?

Omdat alle bewegingen van het verbonden schrift – ook van de hoofdletters – al eerder geoefend zijn, kun je de kinderen hun naam met de erbij horende hoofdletter laten schrijven. Indien nodig kun je hen eerst een rijtje van die hoofdletter laten oefenen. Deze hoofdletters laat je niet aan elkaar schrijven; het heeft trouwens geen zin om ze met elkaar te verbinden aangezien hoofdletters altijd aan het begin van een woord staan.

De kinderen leren dus aanvankelijk alleen de hoofdletter van hun eigen naam. Als ze na enkele weken oefenen met losse woorden het verbonden schrift vlot genoeg hanteren, kunnen ze ook zinnen schrijven. Omdat een zin met een hoofdletter begint, zullen er verschillende hoofdletters aan bod komen. Eerst zullen de kinderen dit spontaan oplossen door een drukletterkapitaal te schrijven, maar dit laat je best niet te dikwijls gebeuren. Tijd dus om de hoofdletters van het verbonden schrift te oefenen. Kinderen die eraan toe zijn, mogen deze oefenen op individuele basis.

Bijvoorbeeld:

 

Korte zinnen, o.a. uit de sprookjes van Grimm, maar ook uit andere kinderboeken, en natuurlijk ook zelfverzonnen zinnen kun je nu laten schrijven. Deze zinnen schrijf je in verbonden schrift voor op een blad, zodat je ieder kind een andere tekst kunt geven. Je kunt ook twee of meer kinderen dezelfde tekst laten overschrijven.

 

 

Na enkele weken met individuele opgaven kunnen de hoofdletters van het verbonden schrift klassikaal geoefend worden als onderdeel van de lessen vormtekenen. Dit gebeurt op de bladen met 9 stroken. Een halve lijn per hoofdletter is voldoende, je kunt dus 18 hoofdletters oefenen op 1 blad. Hoofdletters die niet goed geslaagd zijn, kun je later individueel extra laten oefenen.

 

Het oefenen kan gebeuren in deze volgorde:

I, V, W, H, K, J, F, Z, T, S, L, E, P, B, R, D, U, Y, X, O, Q, C, A, N, M, G.

Waarom deze volgorde?

I, V, W, H, K, J is de grootste groep hoofdletters met dezelfde aanzet bovenaan.

F, Z, T hebben dezelfde aanzet als de vorige rij, maar groter.

S, L, E hebben een kleine krul bovenaan.

P, B, R vertrekken bovenaan en hebben een krul die rechts van de neergaande lijn komt.

D heeft dezelfde neergaande lijn als P, B, R

U, Y, X hebben bovenaan dezelfde aanzet als de krul van P, B, R

O, Q beginnen bovenaan

C begint wat meer naar rechts, gaat naar boven en maakt dan dezelfde neerwaartse beweging als de O.

A, N, M beginnen beneden.

G begint beneden en is de enige hoofdletter die over de drie stroken gaat: wit-blauw-groen.

 

De hoofdletters B, R en P kun je op 2 manieren schrijven en oefenen:

1: met de rechter krul los van de verticale lijn;

2: met de rechter krul verbonden met de verticale lijn.

 

De hoofdletter Q kun je op 3 manieren schrijven en oefenen:

1: zoals de O met rechtsonder een krul, zoals de drukletter;

2: zoals de O met rechts een schuine rechte lijn (zoals de kleine letter);

3: zoals het cijfer 2 met een verlengde aanzet.

 

Het oefenen van de verschillende schrijfwijzen van B, R, P en Q is geen noodzaak. Je kunt je beperken tot één schrijfwijze.

 

 

HET GEBRUIK VAN DE VERSCHILLENDE LETTERTYPES

Vanaf - of in de loop van - het tweede trimester.

 

Op het bord:

Titels schrijf je in grote drukletters, in kleur.

Alle teksten die dienen om te lezen, schrijf je in onderkastletter (kleine drukletter) met hoofdletters (grote drukletter) waar nodig, in kleur.

Teksten die de kinderen overschrijven van het bord, schrijf je in verbonden schrift met kleurkrijt. Als je voor elke zin of elke regel een andere kleur gebruikt, bied je de kinderen een goed houvast om te weten waar ze gekomen zijn bij het overschrijven.

Op de oefenbladen:

Analyse- en syntheseoefeningen waarbij de kinderen letters in woorden moeten herkennen om er nieuwe woorden mee te maken, mogen ze nog in grote drukletters schrijven, bij voorkeur met een schetspotlood (HB).

Dictee van woorden en heel korte zinnen schrijven de kinderen in verbonden schrift, bij voorkeur met een schetspotlood. Hebben kinderen nog problemen met het verbonden schrift, dan mogen ze nog een tijdlang de grote drukletters schrijven.

In het schrift:

Titels schrijven de kinderen in grote drukletters met kleurpotlood of met een kleurstift.

Teksten schrijven ze met een schetspotlood of met een stift (zwart of kleur) of met een vulpen.

 

 

CREATIEF SCHRIJVEN

Zodra de kinderen het verbonden schrift voldoende beheersen – voor sommigen zal dit in de loop van het tweede trimester van de eerste klas het geval zijn – mogen ze korte opstellen, verhaaltjes en briefjes schrijven. Dit kun je als vervangopdracht (niet als bijkomende of extra opdracht) geven terwijl de andere kinderen van de klas aan het opgegeven werk bezig zijn. Tijdens een taal- of rekenles kun je deze kinderen bijvoorbeeld 10 à 15 minuten tijd geven voor het schrijven van een eigen tekst. Dit doe je gedurende één tot drie weken dagelijks. Nadat de tekst geschreven is, schrijf of tik je de tekst over – waarbij je de fouten verbetert – en laat die op een ander moment door het kind voorlezen. Laat nooit een tekst voorlezen die niet gecorrigeerd is. Schrijf je de tekst over, gebruik dan het verbonden schrift. Omdat dit meestal korte tot zeer korte teksten zijn, kun je ze na een week samenbrengen op één blad. Het is niet nodig om elke tekst te laten voorlezen. Tijdens het corrigeren van de teksten kun je het kind op één of twee fouten wijzen en het – steeds individueel – wat uitleg geven.

 

Vanaf het derde trimester kun je gedurende enkele weken dagelijks een klassikale stelopdracht geven. Je vertelt voorafgaand een verhaal of een gedeelte van een verhaal of je geeft een thema op met een woordje uitleg erbij. De kinderen schrijven gedurende een tiental minuten. Op het einde van de week – vrijdagnamiddag – kan elk kind een kleine illustratie bij zijn tekst tekenen en een stukje ervan voorlezen. In de afbeelding hieronder zie je het resultaat van één week creatief schrijven eind eerste trimester in de tweede klas.

 

Als je gedurende twee tot drie weken dagelijks een stelopdracht geeft, ervaar je hoe snel de kinderen aandacht krijgen voor zinsbouw en spelling. Deze manier van werken geeft betere resultaten dan het klassikaal behandelen van spelling en zinsbouw.

 

Zet je deze werkwijze voort gedurende de hele lagere school, dan krijgen de kinderen écht zin in schrijven en hebben ze aandacht voor spelling, grammatica en stijl. Verbind je deze opdrachten tevens met voorlezen dan kun je ruim aandacht besteden aan stemplaatsing en expressie. Meer over lezen en voorlezen vind je in Bas Kunstler leest.

 

 

DE CIJFERS

 

Het oefenen van de cijfers kan vanaf de eerste dag in de eerste klas beginnen, tezamen met het leren van de letters. Op het bord van de eerste letter (in Bas Kunstler Leest is dit de A) kunnen ook enkele cijfers 1 staan. De schrijfwijze van dit cijfer oefen je met de kinderen in grote en kleine gebaren. De volgende dag, bij de volgende letter kan het cijfer 2 er enkele keren bij staan, terwijl het cijfer 1 ook nog eens geoefend wordt. Zo kun je de volgende dagen voortdoen tot de tien cijfers aan bod gekomen zijn. Daarna wordt de schrijfwijze ervan alle dagen heel kort herhaald. In de rekenperiode die op de eerste taalperiode volgt, bespreek je de getallen 1 tot 12: kwaliteit, hoeveelheid, getalbeeld en schrijfwijze van het cijfer.

 

Via de linken hieronder kun je de schrijfwijze van de cijfers bekijken:

1234 567788890

 

 

 

TOT SLOT

Moet elk kind in de eerste klas het verbonden schrift beheersen?

Als een kind problemen ondervindt bij het leren van het verbonden schrift, is het niet nodig om dit te forceren. Het aanleren van het verbonden schrift gebeurt weliswaar klassikaal, maar ieder kind mag het verbonden schrift op eigen tempo leren. Het kan dus zijn dat een kind pas in de tweede klas het verbonden schrift onder de knie krijgt. Je kunt dit kind op de volgende manier ondersteunen:

Minder en kortere schrijfopdrachten laten maken zolang het kind gebruikmaakt van de kapitalen.

 

Veel oefeningen voor de ontwikkeling van de fijne motoriek voorzien. Deze kunnen best ingepast worden in de klassikale opdrachten, bijvoorbeeld tijdens de dagelijkse mondelinge herhaling, zodat ieder kind er voordeel bij heeft.

 

Goed zien waar het probleem zit. Indien nodig regelmatig een oefening laten maken die reeds eerder aan bod gekomen is of een oefening geven die specifiek voor het kind geschikt is. Maar laat het kind toch steeds ook de oefeningen – of een deel ervan – maken die de andere kinderen van de klas maken.

 

Een zorgleerkracht inschakelen of indien nodig remediëren via kine of psychomotoriek.

 

De hier voorgestelde werkwijze kan slechts vruchtbaar zijn als er voldoende tijd is om kinderen individueel te begeleiden. Dit wil zeggen: korte instructie en lange zelfstandige werktijd én dagelijkse oefening.

Omdat de ontwikkeling van de fijne motoriek al in de kleuterfase gebeurt, is het aan te raden om met de vormtekeningen (friezen) in de kleuterschool te beginnen, ten laatste in de 3e kleuterklas (5- à 6-jarigen).

De grote gebaren die veel van de hier voorgestelde vormtekeningen voorafgaan zijn vooral bedoeld om met een speels element de kinderen via de leerstof in beweging te brengen. Voor de ontwikkeling van het handschrift zijn deze grote gebaren niet noodzakelijk.

De ontwikkeling van de fijne motoriek kun je ondersteunen via handwerk (o.a. breien, haken), muziek (blokfluit), tekenen (kleine tekeningen als illustratie bij teksten), boetseren en andere kunstzinnige opdrachten die de fijne vingermotoriek aanspreken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LEREN SCHRIJVEN IN DE EERSTE KLAS

 

leren schrijven: didactiek.pdf

Een systematische opbouw voor het leren schrijven in de 1e klas. Deze methode gaat uit van het vormtekenen om te komen tot het gebonden schrift. Met drie oefeningen per dag, gespreid over 53 dagen, ontstaat vanuit het tekenen als vanzelf het gebonden schrift. De kinderen schrijven eerst woorden en oefenen daarna (en tussendoor) de afzonderlijke letters.

 

lijnenblad vormtekenen-voorbereidend schrijven met 3 balken voor kleurpotlood voor de oefeningen tot en met de 27e dag (zie leren-schrijven: didactiek in de kolom hiernaast).

lijnenblad met 3 balken voor kleurpotlood

 

Lijnenblad vormtekenen-voorbereidend schrijven met 6 balken voor kleurpotlood of schetspotlood vanaf de oefeningen voor de 28e dag tot en met de oefeningen voor de 36e dag (zie leren-schrijven: didactiek in de kolom hiernaast).

lijnenblad met 6 balken voor kleurpotlood of schetspotlood

Lijnenblad vormtekenen- voorbereidend schrijven met 9 balken voor schetspotlood vanaf de oefeningen voor de 37e dag tot en met de 53e dag. (zie leren-schrijven: didactiek in de kolom hiernaast).

 

 

Lijnenblad met 6 stroken blauw-wit-groen voor het gebonden schrift, te gebruiken vanaf dag 54 tot en met dag 65. (zie leren-schrijven: didactiek in de kolom hiernaast).

 

 

 

 

Lijnenblad met 9 stroken blauw-wit-groen voor het gebonden schrift te gebruiken vanaf dag 66. (zie leren-schrijven: didactiek in de kolom hiernaast).

 

 

 

 

Eerdere versies van leren schrijven via het vormtekenen:

 

De kunstzinnig-dynamische schrijfmethode deel 1

 

De kunstzinnig-dynamische schrijfmethode deel 2 (over het kleutertekenen)

 

De kunstzinnig-dynamische schrijfmethode deel 3 (ritmisch tekenen)

 

De kunstzinnig-dynamische schrijfmethode deel 4 (het gebonden schrift)

 

Werkbladen om te downloade en te printen:

 

Blad met 3 balken voor het ritmisch tekenen

 

Blad met 4 balken voor het ritmisch tekenen

 

Blad met 7 balken voor de overgang van tekenen naar schrijven

 

Blad met 6 balken voor het gebonden schrift met potlood

 

Blad met 7 balken voor het gebonden schrift met potlood of vulpen

 

Blad met 9 balken voor het gebonden schrift met vulpen (of potlood

 

Opmerkingen van een zorgleerkracht i.v.m. leren schrijven en lezen. PDF