Steiner

...als de leerkrachten meer vrijheid en vertrouwen krijgen, dan moeten de eindtermen gereduceerd worden. Leerkrachten zullen dan de kans krijgen om meer eigen lesstof te ontwikkelen... (DM 2015-06-03)

Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 

RUDOLF STEINER

 

De volledige lijst van uitspraken met links naar deellijsten.

 

Steiner over pedagogie en antroposofie

 

Steiner over de Waldorfschool, pedagogie, bestuur en organisatie

 

 

OVER DE LEERSTOF EN DE VAKKEN

 

Steiner over aardrijkskunde, natuur en milieu

 

Steiner over astronomie

 

Steiner over beeldende kunst en pedagogie

 

Steiner over beweging en lichaamsoefeningen

 

Steiner over boetseren

 

Steiner over dierkunde

 

Steiner over euritmie

 

Steiner over fysica

 

Steiner over geologie-mineralogie

 

Steiner over geometrie-meetkunde

 

Steiner over geschiedenisonderricht

 

Steiner over godsdienstonderricht

 

Steiner over handwerk en handenarbeid

 

Steiner over huiswerk

 

Steiner over kunst- en handvaardigheidsvakken

 

Steiner over kunstzinnig onderwijs

 

Steiner over de leerkracht

 

Steiner over het leerplan

 

Steiner over leren lezen

 

Steiner over het lesrooster en het periodeonderwijs

 

Steiner over lichamelijke opvoeding

 

Steiner over meetkunde-geometrie

 

Steiner over menskunde

 

Steiner over mineralogie-geologie

 

Steiner pver muziek

 

Steiner over de overheid

 

Steiner over opvoeding en moderne cultuur

 

Steiner over pedagogie - opvoedkunde

 

Steiner over het periodeonderwijs en het lesrooster

 

Steiner over plantkunde

 

Steiner over plastische kunsten

 

Steiner over rapporten en getuigschriften

 

Steiner over rekenen, voorzien van commentaar.

 

Steiner over scheikunde

 

Steiner over schilderen

 

Steiner over het schoolgebouw

 

Steiner over schrijven

 

Steiner over spel en speelgoed

 

Steiner over spreken

 

Steiner over taal

 

Steiner over tekenen-vormtekenen

 

Steiner over temperamenten

 

Steiner over toetsen en examens

 

Steiner over verhalen vertellen

 

Steiner over het vreemdetalenonderricht

 

Steiner over de Waldorfschool

 

Steiner over wiskunde, voorzien van commentaar.

 

Steiner over wereldoriëntatie, techniek en tuinbouw

 

 

OVER KLASSEN EN LEEFTIJDSGROEPEN

 

Steiner over de kleuterschool

 

Steiner over de 1e klas

 

Steiner over de 2e klas

 

Steiner over de 3e klas

 

Steiner over de 4e klas

 

Steiner over de 5e klas

 

Steiner over de 6e klas

 

Steiner over de 7e klas

 

Steiner over de 8e klas

 

Steiner over de 9e klas

 

Steiner over de 10e klas

 

Steiner over de 11e klas

 

Steiner over de 12e klas

 

 

HERKOMST VAN DE UITSPRAKEN

Herkomst van de uitspraken van Steiner over pedagogische onderwerpen

 

Alle teksten van Steiner in het Duits.

Is de steinerschool een antroposofische school?

 

Op woensdag 20 augustus 1919, op de vooravond van de aanvang van de cursus die Steiner gaf voor de toekomstige leraren van de Waldorfschool in Stuttgart, zei hij:

 

We willen hier in de Waldorfschool geen wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De Waldorfschool moet geen school zijn waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we de kinderen met antroposofische dogma's volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma's onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud - we streven ernaar de antroposofie in praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt omzetten in werkelijke lespraktijk.

Deze tekst komt uit de lezingencyclus Algemene menskunde als basis voor de pedagogiek.

 

Helaas was Steiner niet erg consequent, want reeds in de opleidingscursus die hij bij aanvang van die allereerste steinerschool (Waldofschool ofte Vrijeschool) gaf, verwerkte hij antroposofische dogma’s.

 

Drie voorbeelden.

 

Het vak mens- en dierkunde dat Steiner voorschreef voor de vierde klas van de lagere school, begint met het antroposofische mensbeeld. De dierenwereld deelt hij, in analogie met het driedelige mensbeeld, in in kopdieren, borstdieren en romp- ledematendieren. De voorbeelden die hij gaf, worden nog steeds in alle steinerscholen onderwezen: de inktvis als kopdier, de adelaar en leeuw als borstdieren en het rund als rompdier. Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.

 

In de vijfde klas raadde Steiner aan om plantkunde te geven. Inhoudelijk deelt hij de plantenwereld op in vergelijking met de ontwikkelingsfasen van de mens. Hij begint dan met de paddenstoelen (zwammen): zij zijn de baby’s in de plantenwereld. Zo bouwt hij de plantenwereld verder op tot de tweezaadlobbige planten die hij vergelijkt met de jonge mens die tot seksuele rijpheid is gekomen. Dat deze indeling niet helemaal overeenstemt met de wetenschappelijke indeling, schijnt niemand in de steinerscholen te hinderen.

 

Steiners benadering van dier- en plantkunde kun je een kunstzinnige benadering noemen. Die is mooi en waardevol, maar ze is slechts één mogelijkheid. Als leerkracht moet je ook het andere, het wetenschappelijke aspect, onderrichten.

 

De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest.

In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen*, gevolgd door de Oer-Indische cultuurperiode, de Oer-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

 

*Het advies om met Atlantis te beginnen geeft hij niet letterlijk voor de vijfde klas, maar als je de cultuurtijdperken zoals hij die opgeeft wil brengen in deze klas, dan kun je niet anders dan met Atlantis beginnen. Voor de achtste klas geeft Steiner wel het advies om over Atlantis te spreken.

 

Lerarenvergadering met Steiner van 25 september 1919:

X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

 

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwicke­lung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schul­jahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn.

Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

Wir gehen davon aus, daß die britischen Inseln viermal auf- und abgestiegen sind. Das ist einfach geologisch festzustellen an den Schichten. Wir versuchen also, diese Dinge in Zusammenhang zu stellen, aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen. Auch im geschicht­lichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen. Nur werden Sie dann die gewöhnliche Geologie desavouieren müssen. Denn die atlantische Katastrophe muß ja im 7. bis 8. Jahrtausend angesetzt werden.

Die Eiszeit, das ist die atlantische Katastrophe. Die ältere, mittlere und neuere Eiszeit, das ist nichts anderes als das, was vorgeht in Europa, während die Atlantis untersinkt. Das ist gleichzeitig, also im 7., 8. Jahrtausend.

 

Dat Steiner aanraadt om een cultuurgeschiedenis te geven vind ik bijzonder waardevol. Maar de indeling in cultuurperiodes zoals hij dit doet stemt helemaal niet overeen met wat wetenschappelijk onderzocht is.

 

Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens heeft gezegd dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.

 

---

 

DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

 

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de schooldag door de kinderen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht, klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

 

De ochtendspreuk gaat gepaard met enkele ceremoniële gegevens:

 

1. De kinderen staan meestal achter hun stoel of in een kring.

2. De leerkracht wacht tot het volledig stil is.

3. Leerkracht en kinderen nemen een gebedshouding aan. Deze houding varieert van school tot school:

ofwel met de handen gevouwen voor het lichaam, ter hoogte van de onderbuik;

ofwel met de armen gekruist voor de borst, de handen tegen de schouders;

ofwel maken handen en armen euritmische gebaren tijdens de spreuk.

 

4. De leerkracht zegt de spreuk meestal krachtig en luid. De kinderen zeggen zo goed en zo kwaad als ze kunnen de spreuk mee. Ik heb dikwijls vastgesteld dat de kinderen heel wat fouten maken en vele woorden vervormen tot klanken die onverstaanbare woorden opleveren.

 

5. Na de spreuk begint in sommige scholen de muzikale opmaat, in sommige scholen gaat de muzikale opmaat vooraf aan de spreuk. In steinerscholen (vrijescholen=waldorfscholen) waar de principes van ‘klas in beweging’ gehanteerd worden, komt de spreuk pas na de bewegingsopdracht. Sommige leerkrachten beginnen na de spreuk met een kringgesprek. In vele klassen wordt onmiddellijk na de spreuk begonnen met de vraag: ‘Welke dag is het vandaag?’ gevolgd door de datum.

 

Steiner heeft twee verschillende ochtendspreuken geschreven. Eén spreuk geldt voor eerste, tweede en derde klas (groepen 3, 4 en 5) en één spreuk is bestemd voor de klassen 4 tot en met 12 (vanaf groep 6).

 

De ochtendspreuk voor eerste, tweede en derde klas kent verschillende versies. De spreuk in Nederland verschilt van deze in Vlaanderen, maar ook tussen de steinerscholen (vrijescholen) onderling zijn er verschillende teksten in omloop. Hieronder volgen drie Nederlandse vertalingen van de oorspronkelijk Duitse spreuk, gevolgd door de originele spreuk van Steiner in het Duits.

 

Inhoudelijk is deze spreuk een soort antroposofische geloofsbelijdenis. Uitleg daarover volgt na de teksten van de spreuken.

 

 

Het liefdelicht der zon

verheldert mij de dag.

De geestesmacht der ziel

geeft hand’ en voeten kracht.

In zonnelicht en glans

verere ik, o God,

de mensenkracht die Gij

in ’t binnenst van mijn ziel

vol goedheid hebt geplant;

dat ik met blijdschap werken,

vol vreugde leren kan.

Van u stamt licht en kracht,

tot u stromen liefde en dank.

Dit is de spreuk die ik leerde kennen in de Steinerschool van Antwerpen in 1975

 

Het liefdelicht der zon

verheldert mij de dag.

De geestesmacht der ziel

geeft kracht aan hand en voet.

In de lichtglans van de zon

vereer ik diep, o God,

de mensenkracht die Gij

in mijne ziel

vol goedheid hebt geplant,

opdat ik ijverig werken

en gretig leren kan.

Van U stamt licht en kracht,

naar U strome liefde en dank.

Dit is de spreuk die ik op de site van de Utrechtse Vrijeschool vond in +/- 2010

 

 

Het lieve licht der zonne

verheldert mij de dag.

De geestesmacht der ziel

geeft hand en voeten kracht.

In zonnelicht en glans

vereer ik diep, o God,

de mensenkracht die Gij

in ’t binnenste van mijn ziel

vol goedheid hebt geplant;

dat ik met blijdschap werken,

met vreugde leren kan.

Van U straalt licht en kracht,

tot U stromen liefde en dank.

Dit is de tekst die op de site van de Antwerpse Steinerschool staat in 2016

 

 

Der Sonne liebes Licht,

Es hellet mir den Tag;

Der Seele Geistesmacht,

Sie gibt den Gliedern Kraft;

Im Sonnen-Lichtes-Glanz

Verehre ich, o Gott,

Die Menschenkraft, die Du

In meine Seele mir

So gütig hast gepflanzt,

Dass ich kann arbeitsam

Und lernbegierig sein.

Von Dir stammt Licht und Kraft,

Zu Dir ström‘ Lieb‘ und Dank.

Dit is de originele tekst van Rudolf Steiner, geschreven voor de Waldorfschule in Stuttgart, in september 1919. Het is op vraag van enkele leerkrachten dat Steiner deze spreuk geschreven heeft.

 

Wat is er nu antroposofisch aan deze spreuk?

 

Kort gezegd komt het antroposofische mensbeeld hierop neer dat de mens in se een geestelijk wezen is dat op aarde incarneert in een fysiek lichaam, maar via zijn ziel in contact blijft met de geestelijke wereld waaruit hij afkomstig is.

 

Dit mensbeeld staat al in de tweede zin van de spreuk:

 

De geestesmacht der ziel

geeft hand’ en voeten kracht.

 

De geestelijke wereld is een wereld die geleid wordt door een opperwezen, meestal God genoemd. Dit geestelijk opperwezen is aanwezig in de kosmos, dus ook in de zon, die zelf ook een geestelijke entiteit bezit. Deze God heeft ook de mens – in casu de mensenziel - geschapen. Deze opvatting vind je in de volgende zin:

 

In zonnelicht en glans

verere ik, o God,

de mensenkracht die gij

in ’t binnenst van mijn ziel

vol goedheid hebt geplant.

 

Het licht is een geestelijke (goddelijke) schepping, de kracht in ons is ook van geestelijke oorsprong. Daarvoor moet de mens de geestelijke wereld dankbaar zijn. Dit staat in de laatste zin van de spreuk:

 

Van u stamt licht en kracht,

tot u stromen liefde en dank.

 

Als je bedenkt dat deze spreuk gedurende drie jaar dagelijks gezegd wordt, en een schooljaar ongeveer 180 schooldagen telt, dan hebben kinderen in de steinerscholen tegen het einde van de derde klas (groep 5) plusminus 540 keer deze spreuk gezegd. Lijkt dit niet een beetje op indoctrinatie? Gelukkig zijn er zéér weinig kinderen die de tekst van de spreuk foutloos kunnen zeggen en zijn er geen kinderen die de spreuk begrijpen.

 

Ik heb me als leerkracht in een steinerschool de vraag gesteld of het wel verantwoord was om deze spreuk dagelijks te zeggen. Toen ik mijn eigen school in Brasschaat oprichtte, heb ik dan ook vrij snel afstand genomen van deze spreuk en ben ik de schooldag begonnen met zang en instrumentale muziek zonder voorafgaande spreuk. Dit leverde in elk geval een veel mooier en meer ontspannen begin van de schooldag op.

 

In mijn latere bezoeken aan steinerscholen heb ik er steeds op gewezen dat een school geen kerk is en dat het dus ook niet past om een religieuze sfeer te scheppen waarin een tekst gezegd wordt die een bepaald mensbeeld belijdt en die de kinderen amper kunnen uitspreken of begrijpen. Het begrijpend leren moet in een school vooropstaan, niet het gedachteloos nazeggen van geloofsartikelen.

 

Door de dagelijkse herhaling van het antroposofische mensbeeld is het toch moeilijk vol te houden dat de steinerschool géén antroposofische school is.

 

Toch heb ik mijn kinderen naar de steinerschool gestuurd en heb er zelf vele jaren lesgegeven. Waarom? Omdat de steinerpedagogie nog steeds de enige pedagogie is waar het kunstzinnige – dat in ieder kind aanwezig is – voldoende, en meestal op een goede wijze aan bod komt. Nog beter zou het zijn als er een pedagogie bestond waarin het kunstzinnige element minstens even sterk aanwezig zou zijn, maar dan zonder de antroposofie. Zo’n school – Rinkrank - heb ik in 1997 opgericht in Kalmthout. Het is jammer dat er niet meer scholen die weg zijn opgegaan.

 

---

 

De tekst van de ochtendspreuk voor de klassen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12. Dit zijn de hoogste drie klassen van de lagere school en alle klassen van de middelbare school (voortgezet onderwijs).

 

In tegenstelling tot de spreuk voor de klassen 1-2-3 is de Nederlandse tekst van deze spreuk minder aan varianten onderhevig. Slechts hier en daar zijn er kleine verschillen.

 

De tekst hieronder heb ik gevonden op www.steinerschoolantwerpen.be (2016). Varianten staan er tussen haakjes naast. De Nederlandse variant komt van de site van de Utrechtse Vrijeschool (2010).

 

Ik zie rond in de wereld,

waarin de zon haar licht zendt,

waarin de sterren fonkelen,

waarin de stenen rusten,

de planten levend groeien,

de dieren voelend leven,

waarin de mens bezield

de geest zijn woning geeft; (de geest een woning geeft)

 

Ik schouw diep in mijn ziel, (NL: Ik schouw diep in de ziel)

die binnen in mij leeft,

De Godesgeest, hij weeft

in zon- en zielenlicht,

in wereldruimten buiten,

in zielendiepten binnen.

 

Tot u, o Godesgeest,

wil ik mij vragend wenden,

dat kracht en zegen, (dat kracht en zegening) (NL: dat in mij kracht en zegen)

voor leren en voor arbeid,

zich in mijn ziel ontplooien. (NL: tot wasdom moge komen)

 

De originele Duitse tekst van Rudolf Steiner - waarschijnlijk uit 1920 - ziet er zo uit:

 

Ich schaue in die Welt

In der die Sonne leuchtet,

In der die Sterne funkeln,

In der die Steine lagern,

Die Pflanzen lebend wachsen,

Die Tiere fühlend leben,

In der der Mensch beseelt

Dem Geiste Wohnung gibt.

 

Ich schaue in die Seele

Die mir im Innern lebet.

Der Gottesgeist, er webt

Im Sonn’- und Seelenlicht

Im Weltenraum, da drauβen

In Seelentiefen drinnen.

 

Zu Dir, o Gottesgeist,

Will ich bittend mich wenden

Dass Kraft und Segen mir

Zum Lernen und zur Arbeit

In meinem Innern wachsen.

 

De aanhef van deze spreuk geeft een opsomming van de vier natuurrijken – minerale rijk, plantenrijk, dierenrijk, mensdom - met wat extra kosmische verwijzing naar zon en sterren. Al lijkt dit een objectieve opsomming, toch is dit niet zo, want alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Daarmee is dan ook meteen het onderscheid tussen mens en dier gemaakt zoals dit in de antroposofie – en in sommige filosofische strekkingen en religies - gemeengoed is.

 

Maar ik zie toch nog twee niet onbelangrijke onvolkomenheden in deze opsomming.

 

1. De stenen rusten. Voor een oppervlakkige beschouwer lijkt het inderdaad of de stenen gewoon liggen of rusten. Maar in feite is dat niet zo: stenen ondergaan vele invloeden van klimaat, weer, bewegingen van de aardkorst, waterstromen enz. Denk bijvoorbeeld aan kalk, dat in overgrote mate aanwezig is op aarde. Dit gesteente rust absoluut niet. Het is continu aan verandering onderhevig. Bovendien is het zelf uit levende wezens ontstaan en wordt het ook voortdurend door levende wezens opgenomen en uitgescheiden. Maar zelfs basalt en graniet – oergesteenten van de aardkorst – zijn voortdurend in beweging, al lijkt dat binnen de duur van een mensenleven dikwijls niet zo. Gesteenten, onder de vorm van mineralen, maken trouwens inherent deel uit van het leven op aarde. Planten, dieren en mensen nemen mineralen op en geven die ook af.

 

2. De planten levend groeien, de dieren voelend leven. En waar zijn de zwammen? In Steiners dagen werden de zwammen nog tot de planten gerekend, maar dat is nu al vele decennia niet meer zo. De spreuk is dan ook niet volledig, er zou tenminste één regel over de zwammen moeten toegevoegd worden. Zoals de tekst nu luidt, zeggen de leerlingen gedurende negen jaar een opsomming die niet correct is.

 

Dat de dieren een gevoelsleven hebben, kunnen we gemakkelijk vaststellen, maar hebben de planten dan geen gevoelsleven? Steiner wil duidelijk een gradatie aanbrengen:

 

De stenen doen niets, die liggen er maar;

De planten leven (hier is er nog geen sprake van voelen);

De dieren voelen (ze leven dus én voelen, maar hebben geen ziel);

De mens heeft een ziel (de mens leeft, voelt én heeft een ziel).

 

Na de opsomming van de natuurrijken (zij het zonder de zwammen) volgt het summum: het rijk van de geest: waarin de mens bezield de geest een woning geeft. De geest staat dus boven alles. Tegelijk wordt hier een antroposofische geloofsbelijdenis uitgesproken: de ziel van de mens is de woning van de geest. In Vlaamse steinerscholen zegt men meestal: de geest zijn woning geeft. Hiermee zegt men expliciet dat de geest een wezen is dat in de ziel van de mens woont, en lijkt het ook alsof de geest niet zonder die mensenziel kan, want hij heeft haar nodig zoals de mens een woonst nodig heeft.

 

In de tweede strofe wordt het antroposofisch gedachtegoed klaar en duidelijk uiteengezet. In de ziel van de mens leeft (weeft) de geest van God net zoals hij in de wereld en in de kosmos werkt.

 

De derde strofe is een gebed tot die goddelijke geest met de vraag om de mens kracht te geven om te leren en te werken. En tegelijk is het een vraag om dit leren en dit werk te zegenen. Op de site van de Antwerpse Steinerschool staat nochtans dat deze spreuk geen gebed is: ‘Dit bezinnen met een spreuk onderscheidt zich in wezen van het gewone bidden, dat een bijzonder geloof veronderstelt.’ Gaat het in deze spreuk dan niet om een geloof? Volgens de antroposofen inderdaad niet want antroposofie is geen geloof, maar een wetenschap van de geest. Helaas is antroposofie een wetenschap die slechts door één persoon bedreven werd en nog nooit door anderen herhaald is, ondanks het feit dat Steiner een ‘methode’ heeft gegeven om net als hem tot inzicht in de geestelijke wereld te komen. Dit wil zeggen dat iedere antroposoof een gelovige is die aanvaardt dat wat Steiner over de geestelijke wereld zegt, waarheid is. Is het gerechtvaardigd dat men kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze geloofsbelijdenis laat opzeggen?

 

Omdat het zeggen van de ochtendspreuk een verplichting is in de steinerscholen, verkondigen kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze antroposofische mens- en wereldvisie. Een schooljaar telt gemiddeld 180 schooldagen. Negen jaar maal 180 is 1.620. De leerlingen zeggen dus 1.620 keer in hun jonge leven deze antroposofische tekst. Noemt men dat niet indoctrinatie?

 

Gelukkig beseffen de meeste leerlingen niet wat er gezegd wordt in deze spreuk. Ofwel omdat ze te jong zijn om de inhoud ervan te begrijpen ofwel omdat ze er als puber of adolescent geen belang aan hechten. Mijn kinderen vonden het een van de eigenaardige gewoonten van de steinerschool – te vergelijken met het kruisteken in de katholieke scholen - en hechtten er verder geen belang aan, al kunnen ze twintig jaar na afzwaaien de tekst nog bijna volledig uit het hoofd opzeggen.

 

Ondanks de verplichting tot het zeggen van de ochtendspreuk heb ik me – leraar zijnde in steinerscholen - al meer dan twintig jaar niet aan die verplichting gehouden omdat ik het niet eens ben met de inhoud ervan. Men kan toch moeilijk van een leerkracht verlangen dat hij dagelijks zijn eigen inzichten en overtuigingen overboord gooit en iets verkondigt waar hij niet achter staat. De steinerscholen beweren trouwens dat ze opvoeden tot vrije mensen – of zoals de steinerschool van Brasschaat zich propageert: Kind mogen zijn om vrij mens te worden - dan moeten ze ook accepteren dat leerkrachten die zover gekomen zijn ook afstand mogen (moeten) nemen van geloofsovertuigingen die niet de hunne zijn.

 

---

 

Op 19 augustus 2017 plaatste Pieter Witvliet de nu volgende tekst over de ochtendspreuken op zijn blog:

https://vrijeschoolpedagogie.com/2017/08/19/vrijeschool-rudolf-steiner-over-de-ochtendspreuk/

 

De leerlingen op de vrijeschool beginnen iedere morgen de schooldag met de zgn. ochtendspreuk. Vanaf klas 1 t/m klas 4 de ene, vanaf klas 5 t/m klas 12 de andere.

(Omdat er in klas 4 voor het eerst aardrijkskunde wordt gegeven, is de gewoonte ontstaan met de tweede spreuk te beginnen, die de beginwoorden heeft: ‘Ik zie rond in de wereld’, als met de 1e aardrijkskundeperiode wordt begonnen. Dat heeft ertoe geleid dat deze spreuk (soms) al vanaf het begin van klas 4 wordt gesproken; oorspronkelijk was dit dus vanaf klas 5)

 

Wanneer de 1e vrijeschool op 7 september 1919 in Stuttgart begint, bestaan de spreuken voor de leerlingen nog niet. In de cursus die Steiner geeft vóór het starten van de school, vind je niets over spreuken.

Dat gebeurt een aantal weken later op 25 september 1919 in een lerarenvergadering waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

De school was net begonnen en er waren natuurlijk talloze problemen op te lossen – van technische, logistieke aard, tot inhoudelijke aan toe.

Op 20 augustus 1919 houdt Steiner aan de vooravond van de cursus een welkomstoespraak voor de deelnemers. Hij geeft daarin o.a. de opzet van de cursus aan:

Für den Kurs ist anzukündigen, daß er enthalten wird:

Erstens eine fortlaufende Auseinandersetzung über allgemein päd¬agogische Fragen

zweitens eine Auseinandersetzung über speziell methodische Fragen der wichtigsten Unterrichtsgegenstände

drittens eine Art seminaristisches Arbeiten innerhalb dessen, was unsere Lehraufgaben sein werden. Solche Lehraufgaben werden wir ausarbeiten und in Disputationsübungen zur Geltung bringen.

An jedem Tag werden wir vormittags das mehr Theoretische haben und nachmittags dann das Seminaristische. Wir werden also morgen um 9 Uhr beginnen mit der Allgemeinen Pädagogik, haben dann um 1/2 11 die speziell methodische Unterweisung und am Nachmittag von 3-6 Uhr die seminaristischen Übungen.

Wir müssen uns voll bewußt sein, daß eine große Kulturtat nach jeder Richtung hin getan werden soll.

Ten eerste: een doorlopende uiteenzetting over algemeen pedagogische vragen

Ten tweede: een uiteenzetting over speciaal methodische vragen over de belangrijkste vakken

Ten derde: een vorm van oefenwerk in het kader van wat onze onderwijsdoelen moeten zijn. Die zullen we uitwerken en erover discussiëren.

Iedere dag zullen we ’s ochtends het meer theoretische deel hebben (te vinden in GA 293: Algemene menskunde; GA 294: Opvoedkunst methodisch-didactisch) en ’s middags dan het seminaarwerk (GA 295: Praktijk van het lesgeven). We zullen dus morgen beginnen om 9 uur met de algemene pedagogiek, om half 11 de speciale methodiek en ’s middags van 3 tot 6 de seminaaroefeningen.

We moeten ons vol bewustzijn dat er in iedere richting een grote cultuurdaad verricht moet worden.

Meteen aansluitend volgt:

Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein, in der wir die Kinder möglichst mit anthroposophischen Dog¬men vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik leh-ren, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthro¬posophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophi¬schem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichts¬praxis.

Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankom¬men als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer Richtung im allgemeinen und im speziell Methodischen im besonde¬ren aus Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Hand¬habung des Unterrichts übergehen kann.

Wij willen hier met de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.

Op de theoretische inhoud van de antroposofie zal het veel minder aankomen dan op de practische uitvoering van wat in pedagogische richting in het algemeen en in de speciale methodiek in het bijzonder uit de antroposofie kan komen, hoe antroposofie over kan gaan in lesgeven.

GA 300A/63

Niet vertaald

Op veel meer plaatsen – niet alleen in de pedagogische voordrachten – herhaalt Steiner telkens dat het vrijeschoolonderwijs geen wereldbeschouwelijk onderwijs moet zijn.

Dan zal hij ook vaak aangeven dat de vrijeschool gelegenheid moet bieden aan ‘de kerk(en)’ om godsdienstonderwijs te geven door haar vertegenwoordigers.

Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden. Die Anthroposophie werden wir nur betätigen in der Methodik des Unterrichts. Wir werden also die Kinder an die Reli-gionslehrer nach den Konfessionen verteilen.

Het godsdienstonderwijs is voorbehouden aan de religieuze gemeenschap. Antroposofie gebruiken we alleen in de methode van lesgeven. We zullen dus de kinderen over de godsdienstleerkrachten van de geloofsrichtingen verdelen.

GA 300A/63

Niet vertaald

Wanneer de school op 7 september van start gaat, is er in het leerplan plaats ingeruimd voor dit confessionele godsdienstonderwijs.

Op 8 september al, in de eerste pedagogische vergadering, is ook al sprake van ‘vrij godsdienstonderwijs’ dat uiteraard wél antroposofisch onderwijs genoemd moet worden, omdat het door (antroposofische) ouders wordt gewild. Daarmee wordt niet meteen begonnen: het wordt verschoven naar 23 september. Op die dag is er echter geen vergadering – er zijn geen notities van – maar wél van 25 sept.

Op zeker ogenblik zegt Steiner: ‘We moeten nog over het vrije godsdienstonderwijs spreken’.

En dan gaat het over wat je van antroposofie wel of niet aan de kinderen die daar speciaal aan meedoen, moet vertellen of niet. Vóór een leerkracht een vraag stelt, zei Steiner: ‘De weekspreuken kun je ook met de kinderen aan het begin van de les zeggen.

Daarop vraagt een leekracht: ‘Zou het niet goed zijn de kinderen een soort morgengebed te laten spreken? Steiner antwoordt dat je dat zou kunnen doen en wil er de volgende dag op terugkomen.

Dat doet hij inderdaad op 26 september, maar nadat iemand heeft voorgesteld ’s morgens met het Onze Vader te beginnen.

X. schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.

Hier is eerst sprake van een spreuk voor de 4 laagste klassen. Een dag eerder heeft Steiner al over het vrije godsdienstonderwijs gesproken en een indeling gemaakt voor de klassen 1 t/m 4 en 5 t/m 8, op dat ogenblik alle bestaande klassen.

Dit alles overziend krijg ik sterk de indruk dat de spreuken zoals ze nu in alle vrijescholen iedere dag door alle kinderen gesproken worden, oorspronkelijk bedoeld waren voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs zouden volgen, dus onderwijs waarin antroposofie als wereldbeschouwing een rol speelt.

De vraag is nu, waarom deze spreuken dan algemeen zijn geworden en sinds wanneer. In 1921 zegt Steiner:

Der Lehrer also betritt, in der gekennzeichneten Weise vorbereitet, am Morgen das Schulgebäude. Die Kinder erscheinen etwas früher in der Sommerszeit, um acht Uhr, etwas später im Winter, und nachdem sie sich in den Klassen versammelt haben, werden sie zunächst dadurch gesammelt, daß jeder Lehrer, jede Lehrerin in ihrer Klasse mit einem möglichst an das allgemein Menschliche und auch Religiöse herange-henden Spruch beginnt, der entweder in Sprach- oder Gesangsform, aber zugleich mit einer Art Gebetscharakter von der ganzen Klasse im Chore vorgebracht wird. Ein wirkliches Gebet kann sich dann daran-schließen. Die Einzelheiten sind ja in unserer Freien Waldorfschule immer ganz der Individualität des betreffenden Lehrers überlassen.

Dann beginnt der sogenannte Hauptunterricht ( )

De leraar komt ’s morgens dus, op de beschreven manier voorbereid, het schoolgebouw binnen. De kinderen komen ’s zomers iets vroeger, om acht uur, en ’s winters iets later. Nadat zij zich in de klassen verzameld hebben, begint iedere leraar, iedere lerares in de klas met een spreuk, die een alge¬meen menselijke en ook religieus getinte inhoud heeft. Die spreuk wordt gezegd of gezongen, maar gelijktijdig met een soort gebedskarakter, en door de hele klas in koor. Een echt gebed kan daarop volgen. De details worden in onze vrij¬eschool altijd volledig aan de individualiteit van de betref¬fende leraar overgelaten.

Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, ( )

GA 303/140

Vertaald/153

 

Ik weet niet of ‘met een spreuk’ hier betekent met ‘de’ spreuk, zoals nu het geval is. Als ‘de details’ betekent dat je als leerkracht je eigen spreuk kon/kan kiezen, zou dat nog ergens te achterhalen moeten zijn. Ik weet het op dit ogenblik niet.

Het is voor nu ook niet zo wezenlijk, want de spreuken worden gezegd en interessanter is het ‘waarom’.

Dr. Steiner: Ich würde es sehr schön finden, mit dem Vaterunser den Unterricht zu beginnen. Dann gehen Sie über zu den Sprüchen, die ich Ihnen sagen werde.

Für die vier unteren Klassen bitte ich, den Spruch in der folgenden

Weise zu sagen:

Ik zou het erg mooi vinden de les met het Onze Vader te beginnen. Dan gaat u over tot de spreuken die ik U zal zeggen. Voor de vier laagste klassen verzoek ik de spreuk op de volgende manier te zeggen:

Der Sonne liebes Licht,

Es hellet mir den Tag;

Der Seele Geistesmacht,

Sie gibt den Gliedern Kraft;

Im Sonnen-Lichtes-Glanz

Verehre ich, o Gott,

Die Menschenkraft, die Du

in meine Seele mir

So gütig hast gepflanzt,

Daß ich kann arbeitsam

und lernbegierig sein.

Von Dir stammt Licht und Kraft,

Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.

Het liefdelicht der zon,

Verheldert mij de dag;

De geestesmacht der ziel,

Geeft kracht aan hand en voet;

In de lichtglans van de zon

Vereer ik diep, o God,

De mensenkracht, die Gij

In mijn ziel

Vol goedheid hebt geplant,

Opdat ik ijverig werken

En gretig leren kan.

Van U stamt licht en kracht,

Tot U strome liefde en dank.

Das müßten die Schüler so empfinden, wie ich es gesprochen habe. Man müßte ihnen auch klarmachen nach und nach – erst sollen sie die Worte aufnehmen – den Gegensatz des Äußeren und des Inne¬ren.

 

Der Sonne liebes Licht,

Es hellet mir den Tag;

Der Seele Geistesmacht,

Sie gibt den Gliedern Kraft;

Das eine bemerkt man beobachtend, wie das Licht den Tag erhellt; das andere ist das Fühlen des Seelischen, wie es in die Glieder geht. Geistig-seelisch – physisch-körperlich: das liegt in diesem Satz.

Im Sonnen-Lichtes-Glanz

Verehre ich, o Gott,

Die Menschenkraft, die Du

In meine Seele mir

So gütig hast gepflanzt,

Daß ich kann arbeitsam

Und lernbegierig sein.

Dies also verehrend zu denselben beiden. Dann noch einmal zu bei¬den sich wendend:

Von Dir stammt Licht und Kraft, (die Sonne)

Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank. (vom Innern)

So, würde ich meinen, sollen die Kinder es empfinden: zu dem Göttlichen im Licht und in der Seele.

Sie müssen versuchen, mit dieser Empfindung, wie ich es vorgelesen habe, es mit den Kindern zusammen im Chor zu sprechen. Zuerst lernen es die Kinder rein wortgemäß, so daß sie Wort, Takt und Rhythmus haben. Erst später erklären Sie einmal gelegentlich: Jetzt wollen wir mal sehen, was da drinnen ist. – Erst müssen sie es haben, dann erst erklären. Nicht zuerst erklären, auch nicht viel darauf geben, daß die Kinder es auswendig können. Im Gebrauch erst, nach und nach sollen sie es auswendig lernen. Sie sollen es förmlich von Ihren Lippen zunächst ablesen. Wenn es lange Zeit, vier Wochen meinetwegen, schlecht geht, um so besser wird es später gehen. Die Größeren können es schon aufschreiben; mit den Kleinsten muß man es nach und nach einlernen. Nicht befehlen, daß sie es auswen¬dig lernen! Wenn Sie es ihnen aufschreiben, ist es ja schön; dann haben sie es in Ihrer Schrift.

Den Spruch für die vier höheren Klassen gebe ich Ihnen morgen noch.

Dat zouden de leerlingen zo moeten beleven, als ik het gesproken heb. Ook moet je ze stap voor stap duidelijk maken – eerst moeten ze de woorden in zich opnemen – wat het verschil is tussen wat buiten hen is en in hun innerlijk.

Het liefdelicht der zon,

Verheldert mij de dag;

De geestesmacht der ziel,

Geeft kracht aan hand en voet;

Het ene merk je al waarnemend, hoe de zon de dag verlicht; het andere is het gevoel in je ziel, hoe dat naar je ledematen gaat. Geest, ziel en lichaam: dat zit in deze zin.

In de lichtglans van de zon

Vereer ik diep, o God,

De mensenkrach,t die Gij

In mijn ziel

Vol goedheid hebt geplant,

Opdat ik ijverig leren

En gretig leren kan.

Van U stamt licht en kracht,

Tot U strome liefde en dank.

Dit dus vererend naar allebei. Dan nog een keer gericht op beide:

Van U stamt licht en kracht (de zon)

Tot U strome liefde en dank (vanuit het innerlijk)

Zo bedoel ik, moeten de kinderen het beleven: naar het goddelijke in het licht en in de ziel.

U moet proberen met dit gevoel waarmee ik het voorgelezen heb, het met de kinderen samen in koor te spreken. Eerst leren de kinderen alleen de woorden, zodat ze woord, maat en ritme hebben. Pas later legt u bij gelegenheid wat uit: nu willen we eens kijken wat daarin staat. Niet eerst verklaren, ook niet te veel de nadruk erop leggen dat de kinderen het uit het hoofd kennen. Door het gebruik, zullen ze het langzamerhand uit hun hoofd leren. Ze moeten het eerst als vorm van u naspreken. Wanneer het een poos, vier weken wat mij netrreft, slecht gaat, zal het later des te beter gaan. De groteren kunnen het wel opschrijven; met de kleintjes moet je het langzaam aanleren. Niet eisen dat ze het van buiten leren! Wanneer u het voor hen opschrijft, is dat mooi; dan staat het in uw handschrift.

De spreuk voor de vier hogere klassen geef ik u morgen nog.

Der Spruch für die vier höheren Klassen lautet so:

Ich schaue in die Welt;

In der die Sonne leuchtet,

In der die Sterne funkeln;

In der die Steine lagern,

Die Pflanzen lebend wachsen,

Die Tiere fühlend leben,

In der der Mensch beseelt

Dem Geiste Wohnung gibt;

Ich schaue in die Seele,

Die mir im Innern lebet.

Der Gottesgeist, er webt

Im Sonn- und Seelenlicht,

Im Weltenraum, da draußen,

In Seelentiefen, drinnen.

Zu Dir, o Gottesgeist,

Will ich bittend mich wenden,

Daß Kraft und Segen mir

Zum Lernen und zur Arbeit

In meinem Innern wachse.

Die Texte sind hier genau nach den Handschriften wiedergegeben, ausgenom¬men die Absätze im ersten Spruch, die Dr. Steiner wahrscheinlich beim Dik¬tieren zum Ausdruck gebracht hat, laut Stenogramm. Es ist nicht ausgeschlos¬sen, daß er ,,Liebeslicht” diktiert hat.

De spreuk voor de vier hogere klassen luidt zo:

Ik zie rond in de wereld;

Waarin de zon haar licht zendt,

Waarin de sterren fonkelen;

Waarin de stenen rusten,

De planten levend groeien,

De dieren voelend leven,

Waarin de mens bezield

De geest een woning geeft;

Ik schouw diep in de ziel,

Die binnen in mij leeft.

De godesgeest, hij weeft

In zon- en zielelicht,

In wereldruimten, buiten,

In zielediepten, binnen

Tot u, o godesgeest,

Wil ik mij vragend wenden,

Dat kracht en zegening

Voor leren en voor arbeid

Tot wasdom moge komen.

De teksten zijn hier precies naar de handschriften weergegeven, behalve de alinea’s in de eerste spreuk die Dr.Steiner waarschijnlijk bij het dicteren tot uitdrukking heeft gebracht, volgens het stenogram. Het is niet uitgesloten dat hij ‘Liebeslicht’ ‘liefdeslicht’ gedicteerd heeft.

GA 300A/96-97

Niet vertaald

 

Noot: Niet vertaald = niet eerder in Nederlandse vertaling verschenen. De hier geplaatste vertaling is van de hand van P. Witvliet.

 

 

DE AVONDSPREUK

 

In de Vlaamse steinerscholen wordt op het einde van de schooldag deze spreuk gezegd:

 

Helder licht der sterren,

straal in mijn gedachten;

dat tot wijsheid worde,

wat ik denkend wil.

 

Zegenend licht der zonne,

warme mij het harte;

dat tot liefde worde,

wat ik voelend kan.

 

Goede aardemoeder,

schenk mijn handen krachten;

dat tot daden worde,

wat ik werkend wil.

 

De auteur van deze spreuk is niet bekend, blijkbaar is ze niet van Rudolf Steiner. Een overeenkomstige Duitse versie ervan heb ik niet gevonden. Deze spreuk wordt trouwens in de Nederlandse Vrije scholen die ik bezocht heb, niet gezegd en ook in de Duitse Waldorfschule heb ik ze niet gehoord.

 

Is dit een antroposofische spreuk?

 

De drieledige opbouw: sterren – zon – aarde, met de daarbij horende verbanden met denken – voelen- willen is in elk geval van antroposofische origine, omdat daarmee de drieledige mens, zoals Steiner die ziet, uitgedrukt wordt.

 

Dit is hetzelfde mensbeeld als in de biologielessen van de vierde klas (groep 6) aan de leerlingen gegeven wordt en bekend is als het ‘sterrenmannetje’.

 

Het denken, het hoofd dus, is verbonden met de kosmos. Het is door zijn bolvorm een afspiegeling van de kosmos, volgens Steiner. In feite is dit een archaïsche voorstelling van de kosmos. Vanop de aarde gezien lijkt de kosmos bolvormig te zijn. Maar wie beweert dat de kosmos bolvormig is, maakt dezelfde fout als degenen die beweerden (beweren) dat de zon om de aarde draait.

 

In de tweede strofe wordt het zonlicht zegenend genoemd. In vele culturen werd de zon als een godheid beschouwd, zo ook in de antroposofie waar de zon als een geestelijk wezen wordt gezien. In religies waarin een goddelijk of geestelijk wezen wordt aanbeden, wordt van dat wezen – dat als een geestelijke patriarch over de mensheid waakt – verwacht dat het de mens zegent.

 

In de biologielessen van de vierde klas (groep 6) wordt het hart van de mens (zijn middengebied) vergeleken met een leeuw, die met zijn manen dan weer een afspiegeling is van de zon. En in dat middengebied leeft volgens de antroposofie de gevoelswereld met liefde, haat, verlangen, afschuw enz. Van de zon wordt verwacht dat ze liefde schenkt.

 

De aarde moet volgens vele culturen – denk o.a. aan de leer van Zarathustra – bewerkt worden door de mens. Daarmee voldoet hij aan zijn geestelijke opdracht. De aarde is namelijk antroposofisch gezien de plaats waar de mens liefde en vrijheid moet ontwikkelen. Dit gebeurt via het doen; via de wilskracht volbrengt de mens zijn taak op aarde.

 

Dit duidelijk drieledige antroposofische mensbeeld wordt in deze spreuk meegegeven aan de kinderen. Zes jaar lang (en in sommige steinerscholen wellicht twaalf jaar lang) wordt deze spreuk bij het einde van de lessen gezegd. In een lagere school zegt een kind dus plusminus 6 x 180 keer deze spreuk: dat is 1.080 keer. En gaat men in de middelbare school hiermee voort dan heeft een kind op het einde van zijn steinerschoolloopbaan niet minder dan 2.160 keer dit antroposofische mensbeeld uitgesproken. Lijkt dit niet op antroposofische indoctrinatie? En mag je een kind dit wel aandoen?

 

De steinerschool in Brasschaat heeft als onderschrift: Kind mogen zijn om vrij mens te worden. In Duitsland verscheen een bestseller met mooi werk van de steinerschoolkinderen onder de titel: Erziehung zur Freiheit. Maar is een school waar zulke spreuken dagelijks gezegd worden wel een school waar een kind kind mag zijn? Zijn zulke spreuken wel iets voor een kind? En noemt men dit opvoeden tot vrijheid?

 

Het gebeurt wel eens dat een school de ochtend- en avondspreuk omwisselt, en als de tekst dan ook nog eens op het gehoor werd overgeleverd, dan krijg je dit resultaat:

 

---

 

DE LERARENSPREUK

 

Es ist aus der geistigen Welt ---------- Uit de geestelijke wereld

dieses Kind zu dir heruntergestiegen. - is dit kind tot u afgedaald.

Du sollst sein Rätsel lösen --- U zult zijn raadselen doorgronden,

von Tag zu Tag, ----------------------------- van dag tot dag,

von Stunde zu Stunde. ----------------------- van uur tot uur.

Rudolf Steiner

 

Uit: Die religiöse und sittliche Erziehung im Lichte der Anthroposophie. (De religieuze en morele opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie).

 

Deze spreuk zeggen de leerkrachten van steinerscholen dagelijks. Daartoe komen ze een kwartier of iets meer vóór de aanvang van de schooldag samen in de lerarenkamer en vormen een kring. Een van de aanwezigen leest de weekspreuk (de weekspreuken van Steiner kun je onder andere vinden op de site: (https://www.antrovista.com/kaarten/mieke_fielmich_weekspreuken/), gevolgd door de spreuk hierboven.

 

Toen ik in 1975 les begon te geven aan de Antwerpse Steinerschool werd deze spreuk in het Duits gezegd, later in het Nederlands omdat er steeds minder leerkrachten waren die het Duits machtig waren. Omdat er, terwijl de spreuk gezegd werd, ook een leerkracht aan de poort van de school moest staan, kon ik me al vrij snel aan het zeggen van deze spreuk onttrekken en heb er een goede gewoonte van gemaakt om dagelijks ‘poortwacht’ te doen. In de twee scholen die ik zelf opgericht heb, werd noch de lerarenspreuk noch de weekspreuk door de leerkrachten gezegd. Ik had liever dat de leerkrachten op tijd in hun klas waren om er de kinderen op een rustige manier te verwelkomen.

 

Ook al is de steinerschool dan op aanraden van Steiner zelf geen antroposofische school, toch komt er met deze spreuk – net zoals de spreuken voor de kinderen en enkele elementen in vakken als dierkunde, plantkunde en geschiedenis – een brok antroposofie in de school binnen. Want met deze spreuk belijdt men dat de mens uit de geestelijke wereld afkomstig is, helemaal in lijn dus met Steiners visie over de mens wiens ziel vóór de geboorte en na de dood in de geestelijke wereld vertoeft. Opvallend in deze tekst is ook de tweede regel waarin gesteld wordt dat de mens afdaalt naar de aarde. Steiner beschouwde de geestelijke wereld dan ook als bovenaards, waarmee hij naadloos aansluit bij wat eeuwenlang de opvatting is geweest, namelijk dat God en engelen – de geestelijke wereld dus – zich boven de aarde bevinden.

 

Eigenlijk is de Duitse tekst mooier: herunterstiegen kun je ook letterlijk vertalen als naar beneden stijgen of naar beneden klimmen of naar beneden klauteren, waardoor zowel een neerwaartse als een opwaartse beweging geïnsinueerd wordt. In dat geval kan de geestelijke wereld overal om de aarde heen zijn, wat gezien de bolvorm van de aarde ook logisch zou zijn.

 

Als je de eerste zin van deze spreuk weglaat of door een meer geloofsvrije tekst vervangt, is de tekst een mooie aanzet voor de schooldag; een bewustwording ook voor de leerkrachten om met zorg de leerlingen tegemoet te treden. “U zult zijn raadselen doorgronden” is een lovenswaardige impuls. Het feit dat je dit als leerkracht zonder ophouden moet doen “van dag tot dag, van uur tot uur” wijst op de verantwoordelijkheid die een leerkracht heeft ten opzichte van de leerling.

 

Is het nodig dat de school dit antroposofisch mensbeeld op deze manier oplegt aan haar leerkrachten? Ik ben van mening dat – getrouw aan het advies van Steiner – de school geen antroposofische instelling moet zijn en dus ook geen antroposofie moet verkondigen. De school moet iedere leerkracht de vrijheid geven om naar eigen overtuiging en inzicht te leven en te handelen. Wil een leerkracht zich privé met antroposofie uiteenzetten: geen probleem, maar de school mag de leerkrachten niet dwingen om antroposofie te studeren, want dan gaat ze in tegen haar eigen doelstelling, namelijk opvoeden tot vrijheid. Leerkrachten die een bepaald mens- en wereldbeeld moeten volgen, zijn niet vrij en dus in feite niet bekwaam om les te geven in een school die als doel heeft mensen tot vrijheid op te voeden. Dit brengt me tot de vraag: “Kan een leerkracht op de steinerschool atheïst of agnost zijn?”

 

---

 

NOG MEER SPREUKEN

 

Na de gezamenlijke lerarenspreuk begeven de leerkrachten zich naar hun klas. Daar beginnen zij de schooldag met de ochtendspreuk. ’s Namiddags eindigt de schooldag met de avondspreuk.

 

Daarmee is het zeggen van spreuken op school niet afgelopen.

 

In de lagere steinerscholen komen er verschillende vakleerkrachten in de klassen. Zo zijn er meestal vakleerkrachten voor muziek, Frans, Engels, handwerk, lichamelijke opvoeding, tuinbouw, houtbewerking en euritmie.

De leerkrachten Frans en Engels beginnen en eindigen hun lessen meestal met een spreuk in het Frans of het Engels.

De leerkracht handwerk heeft soms ook de neiging om met een spreuk te beginnen.

De leerkracht euritmie vindt het doorgaans zeer belangrijk om de les met een spreuk te beginnen en met een spreuk te beëindigen.

De middagboterham (lunchpakketje) wordt altijd aangesproken na het zeggen van een spreuk.

 

De wekelijkse lerarenvergadering (in vele steinerscholen op donderdagnamiddag) begint en eindigt met een spreuk.

De vergaderingen van de ouderraad beginnen en eindigen met een spreuk.

De vergaderingen van de raad van bestuur beginnen en eindigen met een spreuk.

En wellicht zijn er steinerscholen waar nog meer vergaderingen, oudercontacten en zo meer met spreuken beginnen en eindigen.

 

Op een gewone schooldag met één vakles Frans zeggen de kinderen minstens 4 spreuken op 1 dag en de leerkrachten zeggen er minstens 5.

Op een dag met bijvoorbeeld handwerk en euritmie: minstens 6 spreuken voor de kinderen.

Op een dag met bijvoorbeeld een vakles, een lerarenvergadering en raad van bestuur zullen sommige leerkrachten minstens 8 spreuken zeggen.

 

Maar er zijn nog meer gelegenheden om een spreuk te zeggen.

 

Eens was een kind van mijn klas ernstig ziek en in de kliniek opgenomen. Volgens een antroposofische ouder – niet de ouder van het kind - zou het kind misschien kunnen sterven. Deze ouder drong er bij mij op aan om dagelijks met de hele klas een spreuk te zeggen met de bedoeling de genezing van het kind te bevorderen. Omdat deze ouder merkte dat ik niet zo enthousiast was om in deze gebedsgenezing mee te stappen nam ze zelf het initiatief en dwong de klas een spreuk van Steiner zeggen. Volgens haar was ik niet antroposofisch genoeg, want amper was het zieke kind aan de beterhand of de antroposofische ouder nam haar eigen kind van school weg om het op een meer geloofsgetrouwe antroposofische school te zetten. Zelf ben ik absoluut niet overtuigd van de waarde van een gebed tot een hogere geestelijke hiërarchie, hoe hard de katholieke instellingen waarin ik school gelopen heb, ook hun best gedaan hebben met erediensten, retraites, rozenhoedjes en tal van andere gebedsmomenten. De enige kracht die van een gebed uitgaat is dat het een moment van bezinning kan zijn. En als dit tezamen met een groep gebeurt, kan er ook een socialiserende impuls van uitgaan. Maar een gebed of een spreuk opzeggen om genezing of iets anders te bekomen lijkt me volkomen irreëel.

 

Kinderen worden wel meer gedwongen om spreuken te zeggen. Zo bestaat er in de steinerscholen de traditie dat elke leerkracht op het einde van het schooljaar in het getuigschrift (rapport) van elk kind een spreuk schrijft, speciaal voor ieder individueel kind. In die spreuk probeert de leerkracht een beeld van het kind te schetsen dat tegelijk remediërend zou zijn. Het volgende schooljaar moet elk kind dan regelmatig voor de klas – meestal ’s morgens na de ochtendspreuk – zijn eigen spreuk opzeggen. Eén keer heb ik me laten overhalen om voor elk kind een spreuk te schrijven, maar ik heb de tekst lichtvoetig gehouden en de kinderen nooit verplicht om die spreuk voor de klas te komen opzeggen. Wel heb ik meer dan eens een tekst uit een verhaal, een sprookje of een mythe als ‘spreuk’ gekozen, maar dit meer gebruikt als een tekstuele illustratie naast een tekening of aquarel op het getuigschrift. De kinderen hebben deze teksten nooit moeten opzeggen.

 

Telkens er in de middelbare schoolklassen een nieuwe periode begint, verzamelen alle klassen in de zaal, waar ze van elke leerkracht een korte inleiding over de periode krijgen, waar een leerkracht een korte algemene lezing geeft met wat praktische punten en waar alle leerlingen tezamen de ochtendspreuk zeggen. De enkele keren dat ik dit heb meegemaakt, heb ik de leerlingen goed bekeken en vastgesteld dat er bijzonder weinig aandacht was voor spreuk en uiteenzetting. In mijn ogen waren deze bijeenkomsten nutteloos en tegengesteld aan wat men wilde bereiken, namelijk de school als een geheel te laten beleven.

 

In de lagere school leeft sinds een dertigtal jaar deze tendens ook: elke maandagochtend de hele school in de zaal verzamelen voor een gezamenlijke opmaat onder de noemer: weekopening. Ook hier was het treurig gesteld. Terwijl de kinderen van de laagste klassen nog hun best doen om braaf te gaan zitten, storen de kinderen van vijfde en zesde klas voortdurend. De leerkrachten hoor je dan ook regelmatig ‘sst’ sissen en om de haverklap zijn er leerkrachten die zich tussen de leerlingen begeven om een leerling aan de kant te zetten of te berispen. Leerkrachten gedragen zich tijdens deze wekelijkse opmaat meer als agenten die de orde proberen te herstellen of als getergde herders die een kudde moedwillige schapen in bedwang moeten houden. Gelukkig wordt hier nog wat gezongen en klinkt er instrumentale muziek, maar aan hetgeen de leerkracht van dienst vertelt of uitlegt, wordt weinig aandacht geschonken. Het ergste en meest zinloze moment komt op het einde van de weekopening, wanneer de spreuk gezegd wordt. Eerst moeten de kinderen van de eerste, tweede en derde klas gaan staan en zeggen zij hun ochtendspreuk. Daarna mogen zij gaan zitten en staan de leerlingen van de vierde, vijfde en zesde klas op om hun spreuk te zeggen. Dan denk ik: als je dan toch een gezamenlijke weekopening wil, waarom dan weer opdelen? Waarom dan niet samen één spreuk zeggen, als je toch zo graag een spreuk wil zeggen? Het zou de leerkrachten van veel zorg en spanning ontlasten en voor de kinderen zou het ook veel redelijker zijn. Beter zou zijn om geen spreuk te zeggen, maar in de plaats daarvan een mooi meerstemmig lied te zingen met de hele school. En dat hoeft dan niet per se het schoollied te zijn, al zou dat dan nog beter zijn dan een van de spreuken.

 

Het schoollied dat op feestelijke momenten gezongen wordt is eigenlijk ook een spreuk op antroposofische basis, maar daarover meer in een volgende tekst.

 

Van alle spreuken die ik in de steinerschool heb leren kennen is er slechts één die naar mijn mening waardevol is. Het is de spreuk die de kinderen in kleuter- en lagere school zeggen vóór ze aan tafel gaan. De tekst is van Christian Morgenstern en gaat als volgt:

 

Aarde droeg het in haar schoot,

zonlicht bracht het rijp en groot.

Zon en aarde, die dit schenken,

wij zullen dankbaar aan u denken.

Ook de mensen niet vergeten

die ’t bereidden tot ons eten.

 

Meestal wordt het volgende eraan toegevoegd:

Gezegende maaltijd, bon appétit,

merci.

 

Eindelijk een spreuk die niet van antroposofie doordrongen is, al was Morgenstern wel een trouwe discipel van Rudolf Steiner.

 

---

 

HET SCHOOLLIED

 

Toen ik in 1983 in Brasschaat De Wingerd oprichtte was het geenszins mijn bedoeling een steinerschool op te richten. Er stond me een school voor ogen waar kunstzinnige activiteiten een essentieel onderdeel zouden vormen van het curriculum en alle lessen doordrongen zouden zijn van kunstzinnige elementen. Omdat het overgrote deel van de kinderen en de ouders afkomstig was van de enkele jaren eerder opgerichte steinerkleuterschool in Kalmthout en zij mee hun schouders zetten onder dit nieuwe schoolproject, vonden we een compromis in de benaming van de school: Kunstzinnig basisonderwijs volgens de steinerpedagogie. In de praktijk is de school echter geëvolueerd naar een gewone steinerschool.

 

De school groeide snel en de behoefte aan nieuwe leerkrachten was groot. Maar waar vind je leerkrachten die ook een kunstzinnige vorming genoten hebben? Alleen in de antroposofische lerarenopleidingen die destijds gegeven werden in Nederland, Duitsland, Zwitserland en aanvullend ook in Vlaanderen. Maar ook leerkrachten die al ervaring hadden opgedaan in de Antwerpse Steinerschool maakten hun opwachting. Zij brachten een nieuw element mee dat zij in hun Antwerpse school hadden leren kennen: het schoollied. Het heeft me veel moeite gekost om dit tegen te houden, want ik houd niet zo van hymnen, vlaggen en leuzen waarachter mensen zich in groep kunnen scharen. Dat hoort thuis in de negentiende eeuw met haar romantiek van de natiestaten. Als je een mens vrij wil maken of de kans wil geven om vrij te zijn, moet je zeker niet beginnen met zulke zaken. Het vrije geestesleven heeft geen nood aan wimpels, vlaggen en stoeten, maar aan individuen.

 

Eerst wilde men het schoollied van de Antwerpse Steinerschool gewoon overnemen, maar dat kon volgens mij helemaal niet. Maar omdat de muzikale meerstemmige bewerking van het lied wél muzikale kwaliteiten had, was ik bereid tot een compromis. Als instrumentaal nummer kon het gebruikt worden bij het herfstfeest ofte Michaëlsfeest. Dus zonder tekst. Waarom? Omdat de tekst een antroposofisch gebed (spreuk) is tot de aartsengel Michaël, die volgens Rudolf Steiner heerst over dit vijfde na-Atlantisch tijdperk. De tekst gaat als volgt:

 

Hemellichten stralen op de aarde neer;

gaan in onze harten glanzen meer en meer.

Refrein: Wij willen dragen, sterrenlied in ons bloed.

Michaël, wij vragen, geef ons kracht en moed.

 

Gouden sterrenkrachten, maak ons denken rein.

Laat onze gedachten klaar en helder zijn.

Refrein.

 

Zend door onze daden ook uw sterrenlicht,

dat wij hier op aarde trouw voldoen onze plicht.

Refrein.

 

Net als in de ochtend- en de avondspreuk wordt hier de link gelegd tussen sterren en denken, waardoor weer eens gewezen wordt op het hoofd van de mens als afspiegeling van de kosmos.

 

Vele jaren later, toen ik de school al geruime tijd verlaten had, vernam ik dat men toch een eigen schoollied gemaakt had. De school heeft nu ook nog een leuze gekregen waar ik me vragen bij stel: Kind mogen zijn om vrij mens te worden. Nu nog de schoolvlag? Eigenlijk is die er al, want het nieuwe logo (sinds 2017) kan gemakkelijk als vlag dienen. Zie op deze site de pagina over De Wingerd.

 

---

 

KAN EEN LEERKRACHT IN DE STEINERSCHOOL ATHEÏST OF AGNOST ZIJN?

 

Als een atheïst, dit wil zeggen: iemand die niet gelooft in God, goden of geestelijke werelden, les wil geven aan een steinerschool, kan die dat dan? En een agnost, iemand die beweert dat men God, goden en geestelijke werelden niet kan kennen, kan die lesgeven aan een steinerschool?

 

In een steinerschool hangen doorgaans geen religieuze afbeeldingen, geen kruisbeelden en dergelijke, al is dit niet helemaal waar, want in bijna álle steinerkleuterklassen en in vele klassen van de lagere school hangt een reproductie van de Sixtijnse madonna van Rafael Sanzio. Waarom hangt die daar? Om de kunstzinnige voorstelling van de Madonna met het kind Jezus? Ja, ook, maar vooral omdat antroposofen in dit schilderij een afbeelding zien van hoe de mens uit de geestelijke wereld neerdaalt op aarde en de twee kleine engeltjes vooraan zouden de twee fameuze Jezuskinderen zijn die Steiner uit zijn geestelijk schouwen heeft meegebracht. Wil je meer weten over wat antroposofen in dit schilderij zien, lees dan eens wat Lieven De Brouwere er over schrijft in zijn blog https://vijgennapasen.wordpress.com/tag/sixtijnse-madonna/(jammer genoeg moet je eerst door een korte vileine tekst over de islam) De Sixtijnse madonna is in steinerscholen de evenknie van het kruisbeeld in katholieke scholen: een symbool van de geloofsovertuiging die er uitgedragen wordt.

 

Ondanks de overal aanwezige Sixtijnse madonna, de dagelijks herhaalde spreuken en de antroposofische visie op geschiedenis, plantkunde, mens- en dierkunde beweren de steinerscholen geen levensbeschouwelijke scholen te zijn. Godsdienstonderwijs wordt er ook niet gegeven. Als atheïst of agnost zou je er dus probleemloos aan de slag kunnen.

 

Maar dat is niet zo.

In een gesprek met een lid van de Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen werd het me duidelijk gemaakt dat een steinerschool zonder antroposofie niet kan. Je kunt geen leerkracht zijn in een steinerschool zonder de antroposofie te omhelzen. En dat is nu net het probleem: als je in een steinerschool wil lesgeven – bijvoorbeeld omdat je je aangetrokken voelt door het kunstzinnige – dan MOET je de antroposofie erbij nemen. Dat wil zeggen dat je alles wat Steiner verkondigd heeft, moet aanvaarden. Het staat trouwens in zowat alle aanwervingsvoorwaarden: je moet je willen verdiepen in de antroposofie. In de praktijk komt het daarop neer dat je meedoet met wat enkele leidende figuren in elke school opleggen: de spreuken zeggen en de verplichte steinervoordrachten lezen. In vele scholen kom ik echter leerkrachten tegen die amper iets van Steiner gelezen hebben, en er zich ook weinig van aantrekken. In hun lessen geven ze wat anderen hen aanreiken of ze baseren zich – helaas – op werkboekjes en schriften van leerlingen uit voorgaande klassen. De weinige leerkrachten die zich antroposofisch scholen houden zich dikwijls meer met antroposofie bezig dan met pedagogie, maar hun vocabularium verspreidt zich wel over de hele school. Zo kom je leerkrachten tegen die – zonder enige ervaring met de geestelijke wereld – vol ernst en overtuiging spreken over etherlichaam, astraallichaam, bewaarengelen en een moed verstrekkende aartsengel Michaël, wiens naamfeest op 29 september in elke steinerschool gevierd wordt, doordrongen van het antroposofische gedachtegoed, terwijl men dan net zo goed een mooi herfstfeest kan vieren en dat ook zo noemen.

 

Toch heeft die antroposofische invloed in de scholen een gunstig effect. In elke steinerschool ontmoet je cultuur. Geen banale gesprekken over voetbal, koers of andere dagdagelijkse besognes, maar oprechte gesprekken over de kinderen, over kunst, over culturele evenementen. Op deze scholen wordt er nagedacht en vanuit een filosofische visie – hoe eigenaardig die ook mag zijn – gehandeld. Er is oog voor schoonheid, er leeft respect voor mens en omgeving. De materialen, van natuurlijke oorsprong, zijn met zorg gekozen. De klasinrichtingen zijn eenvoudig en de versiering sober, helemaal het tegengestelde van wat je in andere scholen soms ziet. Vergelijk een rust uitstralende steinerkleuterklas maar eens met een kleuterklas uit reguliere of alternatieve scholen: wat een schreeuwerige kakofonie kom je daar niet tegen!

 

Wat ik zoek, niet voor mezelf, want ik heb het voor een groot deel kunnen realiseren, maar voor de vele ouders op zoek naar een goede school voor hun kind, is een school waar minstens dezelfde zorg, minstens dezelfde kunstzinnigheid, minstens hetzelfde respect heersen als in een steinerschool, maar dan zonder de antroposofische indoctrinatie. Kortom een steinerschool waar atheïsten en agnosten zich thuis kunnen voelen. Moet dat dan zonder Steiner? Helemaal niet, want de beste pedagogische ideeën van Steiner komen niet voort uit zijn antroposofie, maar uit zijn gezond boerenverstand of heeft hij van anderen. Het blijft hoe dan ook zinvol om Steiners teksten en voordrachten over pedagogie te lezen. Een school ook waar pedagogische werken van andere auteurs met aandacht gelezen en besproken worden, want Steiner is niet de enige zaligmakende pedagoog. Zijn leerplannen hebben dringend een update nodig om te voldoen aan het eenentwintigste-eeuwse leven – we leven toch ook niet meer in de maatschappij van 1919 – en aan de huidige wetenschappelijke inzichten.

 

 

Hoe kun je een steinerschool zonder antroposofie creëren?

 

Vervang de spreuken door liederen die geen religieuze inhoud verkondigen. Er zijn meer dan voldoende mooie liederen om een schooldag mee te beginnen en mee af te sluiten. Of zeg een spreuk zoals die spreuk van Christian Morgenstern die vóór het eten gezegd wordt: zonder antroposofische geloofsverkondiging. Een mooi gedicht kan ook voor wie houdt van een poëtische opmaat, maar zeg niet jaren achtereen dezelfde spreuk of hetzelfde gedicht.

 

Schoolfeesten kunnen gemakkelijk losgekoppeld worden van de antroposofie aangezien het seizoens- en volksfeesten zijn. De zogezegde geestelijke achtergronden ervan heb je niet nodig om een zinvol feest te vieren. Een Michaëlsfeest is ook gewoon een herfstfeest; een Sint-Jansfeest is ook gewoon een midzomerfeest. Kerstmis mag gerust over de geboorte van Jezus gaan, maar ook over de geboorte van Mithras of Boeddha of Mozes en het kan tegelijk ook een algemeen geboortefeest zijn.

 

Vakken als geschiedenis, plantkunde, mens- en dierkunde laat je aansluiten bij de hedendaagse stand van de wetenschappen. Deze vakken hebben echt geen behoefte aan antroposofie. Het vak menskunde zou een volwaardig vak moeten worden in 4e, 5e en 6e klas. En gezien de grote ontwikkelingen op sterrenkundig en weerkundig vlak en op het gebied van ruimtevaart zou een vak als astronomie zeker moeten toegevoegd worden aan het curriculum van de lagere school.

 

Lees en bediscussieer met de leerkrachten oude en recente inzichten op pedagogisch vlak via boeken, handleidingen enz. Naast Steiner en Montessori moeten boeken van bijvoorbeeld Freinet, Furedi, Omer, Moonen, Van den Broeck, Verhaeghe, Savater, Masschelein, Stevens en vele anderen bestudeerd worden.

 

 

Om terug te komen op mijn vraag: Kan een atheïst of agnost leerkracht zijn aan een steinerschool?

 

Ja, als die steinerschool al de antroposofische elementen achterwege laat. Een instituut zoals een school hoeft geen antroposofische instelling te zijn; alleen de Antroposofische Vereniging is een antroposofische instelling. In een steinerschool (of gelijk welke school) kunnen leerkrachten als persoon, als individu, antroposoof zijn, maar de leerkrachten mogen gelijk welk geloof aanhangen of atheïst/agnost zijn, want een religieuze of niet-religieuze overtuiging maakt deel uit van het geestesleven en dat moet, zoals Steiner aangeeft, vrij zijn. Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden. En het christelijke? Omdat dit nu eenmaal tot onze cultuur behoort en tot voor korte tijd zo goed als allesbepalend was in onze maatschappij, moet het voorlopig nog als cultureel erfgoed aan bod komen. Er is zo veel in onze wereld dat naar het christendom verwijst dat de kinderen er recht op hebben om te weten wat dit is en waarover het gaat. Zodra de christelijke relicten verdwenen zijn, zal het christendom enkel en alleen nog in geschiedenislessen behandeld worden.

 

---

 

SCHOOLFEESTEN

 

Een groot pluspunt van de steinerscholen is dat er nog seizoensfeesten gevierd worden. Dat die seizoensfeesten een christelijk karakter hebben, is te wijten aan de eeuwenlange opeising door de christenen die zich deze natuurfeesten hebben toegeëigend. Terwijl in zowat alle onderwijssystemen de seizoens- en christelijke feesten naar de achtergrond verdwenen zijn en vervangen door kunstmatige ouder- en grootouderfeesten en dergelijke, hebben de steinerscholen ze in ere gehouden of in ere hersteld. Waarom? Omdat in de antroposofie Christus een centrale figuur is, wiens kruisdood een essentieel keerpunt is in de aarde- en mensheidsontwikkeling. Het christelijke element in de jaarfeesten is daarom opvallend aanwezig. Bovendien vieren de steinerscholen een feest dat buiten hen en de antroposofische verenigingen nooit een feest is geweest: het Michaëlsfeest, het eerste feest van het schooljaar.

 

De aartsengel Michaël wordt in de hele Bijbel slechts twee keer genoemd (Daniël 10, 13 en Openbaring 12,7). In de Openbaring van Johannes is hij de engel die de draak (Satan) tezamen met diens engelen uit de hemel verdrijft en op aarde laat neerstorten. Volgens de overlevering zijn zij in de hel terechtgekomen en kennen we hen nu als duivels.

 

De naamdag van Michaël (en alle engelen) wordt op 29 september gevierd. Die datum heeft geen speciale betekenis, want is gewoon de inwijdingsdatum van de eerste kerk die aan deze engel werd gewijd in Rome. Dit gebeurde rond het jaar 450. Bijna een halve eeuw later is er sprake van een verschijning van Michaël aan een herder in Puglia (Italië), gevolgd door een resem verschijningen in heel Europa in de volgende jaren en eeuwen, meestal op hoogten: heuvels, bergtoppen enz.

 

Antroposofisch gezien is Michaël een van de zeven aartsengelen, hoewel er in de Bijbel sprake is van slechts drie aartsengelen (Michaël, Gabriël, Raphaël). Hij is als aartsengel de geest van ons tijdperk (http://www.arendlandman.nl/2010/09/het-michaelsfeest-de-herfst-evening-de-aartsengel-michael-en-het-michaelstijdperk/ en https://www.vrijeschoolbeweging.nl/achtergrond/het-michaelsfeest/) én tegelijk is hij een van de belangrijkste geestelijke wezens in het antroposofische gedachtegoed waarin men overtuigd is van het bestaan van een bovenzinnelijke Michaëlschool (http://antropocalypse.blogspot.be/2013/09/michael-hij-die-voor-het-aangezicht-van.html). Om die redenen is het Michaëlsfeest een belangrijk feest binnen de antroposofische beweging en is het dat vervolgens ook geworden in de steinerpedagogie. Gelukkig wordt dit allemaal niet aan de kinderen uitgelegd, Michaël is voor hen een soort ridder-engel die een draak verslaat, maar het feit dat men een herfstfeest de naam geeft van deze aartsengel wijst toch duidelijk in de richting van antroposofie.

 

Dat blijkt ook uit de liederen die tijdens dit feest gezongen worden. Twee voorbeelden:

 

Aartsengel, gij, o maak mij waard

een strijder Gods te zijn.

Geef mij uw blinkend sterrenzwaard,

al ben ik nog maar klein.

Maak rein mijn denken, ’t harte goed

en geef tot drakenstrijd mij moed.

 

In dezelfde geest klinkt het volgende lied:

 

Gij zonneheld in gouden pracht, Sint-Michaël.

Wij vragen u, o schenk ons kracht.

Refrein:

Help ons bevrijden,

De vijand bestrijden,

Sint-Michaël

 

Gij vaandrig uit het hemelrijk, Sint-Michaël.

De eng’len zijn uw legerschaar.

Refrein.

 

Groot is uw macht en sterk uw hand, Sint-Michaël

Gij heerst op zee en op het land.

Refrein.

 

Moet een herfstfeest in het teken staan van Michaël? Absoluut niet. Het zou zelfs beter zijn om dit niet te doen en van een herfstfeest gewoon een oogstfeest te maken zonder een of andere heilige of fictieve engel erbij te betrekken. Waarom zouden moed en strijdvaardigheid kwaliteiten zijn die bij de herfst passen en wat betekent dat sterrenzwaard? Michaël als de christelijk-astrologische wachter aan de hemelpoort staat het héle jaar door als het sterrenbeeld Kleine Beer hoog aan de hemel – vlak bij de Poolster, aangezien deze ster de poort naar de hemel voorstelt – en draagt er naast een zwaard ook een weegschaal in de hand om er de zielen van de gestorvenen mee te wegen, goede tegen kwade daden.

 

Een goed en zinvol herfstfeest heeft geen nood aan bovenzinnelijke en hemelse verklaringen. Wil je toch meer achtergrond geven aan een herfstfeest, vier het dan desnoods op 4 oktober, dan kun je het combineren met de internationale dierendag ter gelegenheid van het naamfeest van Sint-Franciscus, al heeft die ook niets met herfst van doen. Hij en de dieren spreken de kinderen hoe dan ook meer aan dan een mythisch-hemelse gevleugelde gedachte (engel) die allerhande strijdlustige kwaliteiten worden toegedacht.

 

De andere seizoensfeesten in de steinerschool kun je moeilijk antroposofische feesten noemen, al worden ze weleens met ‘geesteswetenschappelijke’ eigenschappen versierd. Het zijn vooral seizoens- en volksfeesten die in hun verchristelijkte vorm zijn overgeleverd. Het is waardevol dat de steinerscholen er zich om bekommeren deze feesten te blijven vieren. De vraag is echter wat de nadruk moet krijgen: het volkse seizoensfeest of de christelijke inhoud. In vele steinerscholen zie ik het christelijke – vanuit de link met de antroposofie – veel meer op de voorgrond treden dan het volkse, waardoor sommige feesten, hoezeer ze ook verweven zijn met de volkscultuur toch een zeer christelijk karakter krijgen en soms zelfs meer een kerkelijk-religieus feest worden. De adventsvieringen die ik in enkele steinerscholen heb bijgewoond zijn daar een typisch voorbeeld van. Ik heb scholen dan ook herhaaldelijk gevraagd om van de school geen kerk te maken (Zie bijvoorbeeld mijn blogpost nummer 12 van 22 december 2013). Een opvallend gegeven in de steinerscholen in Vlaanderen is het feit dat men zelfs een bepaalde leerinhoud aan een christelijk feest aanpast: zo krijgen de kinderen in de eerste klas de klinkers pas aangeboden in de advent, want het zijn de engelen die deze letters uit de hemel meebrengen ter gelegenheid van de geboorte van Jezus. En Sinterklaas brengt de blokfluit. Dit wil zeggen dat kinderen in de eerste klas minstens drie maanden moeten wachten om met leren lezen te beginnen, want zonder klinkers kun je niet leren lezen. Blokfluit leren spelen gaat pas als Sinterklaas langsgekomen is. Op deze manier mengt men geloof met pedagogische inhouden en zijn de kinderen daarvan het slachtoffer.

 

Hoe kun je de jaarfeesten terugbrengen tot hun essentie?

 

Noem het Michaëlsfeest een herfstfeest. Laat Michaël maar over aan de Antroposofische Vereniging en aan de Christengemeenschap.

 

Of het nu om het Sint-Maartensfeest, adventsfeest, sinterklaasfeest, Kerstfeest, palmpasenfeest, Paasfeest, Pinksterfeest of Sint-Jansfeest (= midzomerfeest) gaat; het zijn allemaal waardevolle seizoensfeesten die het uitstekend zonder antroposofische uitleg kunnen stellen. Wie daaraan toch behoefte heeft, kan inspiratie opdoen in enkele boeken:

 

Henk Sweers, Jaarfeesten, Vrij Geestesleven, Zeist, 1991;

Juul van der Stok, Schipper mag ik overvaren? Nearchus CV, Assen;

Friedel Lenz, Hoe vieren wij jaarfeesten met de kinderen? Zevenster, Zeist, 1982;

Emil Bock, De jaarfeesten als kringloop door het jaar, Christofoor, Rotterdam, 1980;

Christiane Kutik e.a., Leven met het jaar, Christofoor, Zeist, 1998;

Rudolf Steiner, Jaarfeesten, Christofoor, 2012;

 

of kan op zoek op internet, waar haast iedere steinerschool/vrijeschool/waldorfschool uitleg geeft over de jaarfeesten.

 

Op mijn eigen site vind je uitleg over de feesten zonder antroposofische invloeden: https://cielen.eu/schoolfeesten/index.html

 

---

 

ANTROPOSOFISCHE BEWEGINGSVAKKEN: EURITMIE en BOTHMERGYMNASTIEK

 

Ik laat Steiner zelf het vak euritmie definiëren: “Staat u mij toe dat ik nog enkele woorden spreek over de betekenis van het euritmieonderwijs en de opvoeding, die voor het kind juist uit dit euritmie-onderwijs voortvloeit… Het gaat erom dat de euritmie in feite een zichtbare taal is, geen mimische expressie, geen pantomimische expressie, en ook geen gewone danskunst.

 

Het innerlijke zich naar buiten laten bewegen, dat is het wezen van het euritmische.”

 

Euritmie is immers niets anders dan het aflezen van heel de bewegingen die het etherlichaam wil maken.”

 

Wat is euritmie, en waarom is dit antroposofisch? Het antwoord daarop vind je op talloze plaatsen op internet. Ik geef er enkele:

 

https://vrijeschoolpedagogie.com/category/euritmie/

http://www.cielen.eu/steiner-uitspraken-pedagogie-euritmie.htm

http://www.vrijescholen.nl/vrijeschoolonderwijs/euritmie

https://inspiratievoorouders.wordpress.com/2015/01/19/wat-is-euritmie/

 

Een definitie van euritmie, van de euritmiste Annemarie Ehrlich geef ik ter illustratie mee: “Ik noem euritmie vaak geest- en zielengymnastiek. Oefeningen zijn nooit afgerond, je kan door blijven ontdekken op bewustzijnsniveau. Wat is er allemaal in de ruimte? Bewegend denken verlevendigd.

Uit: https://opwegnaar2020.wordpress.com/euritmie/

 

In mijn eerste jaren als steinerschoolleerkracht was er een euritmiste op school en kreeg mijn klas ook euritmie. Na overleg hebben de euritmiste en ik samen de inhoud van het vak aangepast zodat de leerlingen – die voordien enorm opzagen tegen dit wekelijks uurtje – toch met enig enthousiasme naar school kwamen.

 

Toen ik aan de euritmiste voorstelde om de gebaren van de letters te gebruiken in de eerste klas als hulp bij het leren lezen, mocht dit niet, want volgens haar had Steiner erop gewezen dat dit pas later in het curriculum mocht. Vermoedelijk omdat leren lezen een te intellectualistische activiteit was voor eersteklassers. Had Steiner immers niet gezegd dat het leren lezen pas nodig was omstreeks het negende levensjaar?

 

Dan komen de ouders en zeggen: kunt u er niet iets aan doen dat mijn jongen in een andere klas komt, waar hij een leraar heeft, dan heeft hij wat meer respect. Hij is al acht jaar en kan nog niet lezen en schrijven. - Dat wordt dan toegeschreven aan de omstandigheid dat er een lerares voor de klas staat. De ouders denken dat, als hij een leraar heeft, er een tendens tot beter dresseren bestaat. Op die wijze krijgt men absoluut verkeerde oordelen, die overal rondwaren en waarover we speciaal de ouders moeten informeren. We moeten ze niet schokken. We kunnen niet dezelfde dingen die wij onder elkaar bespreken ook aan de ouders meedelen. We kunnen niet zeggen: wees toch blij dat jullie kind met 9 jaar nog niet kan lezen en schrijven. Hij zal des te beter lezen en schrijven als hij het op 9-jarige leeftijd nog niet kan, want als de mens op zijn 9e jaar al goed kan schrijven en lezen, wordt hij later een automaat, omdat hem dan iets vreemds is ingeënt. Hij wordt een automaat. (zie https://www.cielen.eu/steiner-uitspraken-pedagogie.htm.)

 

De euritmische gebaren voor de letters kun je perfect gebruiken bij het leren lezen in de eerste klas, al zien euritmisten dit niet graag gebeuren zoals ik dus mocht ondervinden. Zelfs zonder antroposofische achtergrond en zonder de diepere betekenis van de gebaren te kennen, kun je de letters, de klanken en de gebaren zeer goed samen laten gaan. Vooral bij de syntheseoefeningen, waarbij de kinderen de letters leren verbinden met de klanken om zo tot woorden te komen, is dit een pluspunt. De gebaren zorgen voor een uitstekende ondersteuning.

 

De euritmische gebaren bij de letters zijn in feite niets anders dan het schriftbeeld van de Latijnse letter. De klank A wordt gewoon voorgesteld door het gebaar Ʌ, de armen zijwaarts geopend naast het lichaam, al kan dit ook gevarieerd worden door omkeringen ervan en andere mogelijkheden. De klank K is een kappende beweging die heel goed lijkt op de Latijnse letter K, waarbij ik me dan afvraag hoe je dit gebaar dan kunt verbinden met de letters Q en C die ook als K worden uitgesproken, maar helemaal geen beeld van een kappende beweging tonen. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat de euritmische gebaren niet uitgaan van de klank, maar van de letter. C en Q hebben dan ook verschillende gebaren, terwijl ze hetzelfde kunnen klinken.

 

Terwijl de meeste euritmische gebaren perfect aansluiten bij de Latijnse kapitalen is dat voor de E anders. Het gebaar voor de E is gewoon de kruising die in de handgeschreven e te zien is.

 

De euritmische gebaren voor het alfabet kun je zien op internet. Twee voorbeelden (het eerste ernstig, het tweede ludiek met een knipoog naar een nogal zwart kalifaat):

 

https://www.youtube.com/watch?v=7VqdifgcIw0

https://www.youtube.com/watch?v=QymPA_Y3cvk

 

Elementen uit de euritmie kun je in de ritmische oefeningen gebruiken zonder daarvoor antroposofie te studeren omdat ze meestal uit andere disciplines zoals ritmiek en dans afkomstig zijn.

 

Het vak euritmie is, eufemistisch uitgedrukt, niet het meest geliefde vak van de leerlingen in steinerscholen. Ik heb wel meer kinderen met buikpijn naar school weten komen de dag dat er euritmieles was.

 

Het positieve van euritmie is dat de kinderen wat extra beweging krijgen, al is het dan zeer sterk geleid en onderhevig aan strakke richtlijnen, terwijl leerlingen meer behoefte hebben aan vrije beweging.

 

Wegens de hoge financiële eisen van euritmisten was ik geen voorstander van het vak euritmie op school en heb ik het ook nooit ingericht. Euritmie was (is?) wel een onderdeel van de opleiding van steinerschoolleerkrachten waardoor elementen uit de euritmie toch in de klaspraktijk tevoorschijn komen.

 

Moet euritmie als antroposofisch gegeven uit de steinerschool?

 

Niet per se, op voorwaarde dat men het vak niet méér toedicht dan wat het is, namelijk een bewegingsvak. Elementen uit euritmie kunnen naast elementen uit ritmiek en dans goed gebruikt worden in gelijk welke school. De grootste waarde heeft ze mijns inziens bij de syntheseoefeningen om het leren lezen te ondersteunen. Muzikaal wordt euritmie (tooneuritmie) een grote waarde toegedicht, maar – zeker waar het de muziekintervallen betreft – schiet ze tekort en is ze amper bruikbaar in een pedagogische context.

 

Het andere bewegingsvak dat in steinerscholen opgang maakt is de Bothmergymnastiek. Sommige kinderen in mijn klassen vonden deze manier van lichamelijke opvoeding wel leuk – ze vonden het meer ‘spelen’, anderen vonden het maar flauw – maar allen gaven ze de voorkeur aan het traditionele turnen, vooral het turnen aan diverse toestellen.

 

Definities van Bothmergymnastik zijn op het internet te vinden. Bijvoorbeeld deze: https://de.wikipedia.org/wiki/Bothmer-Gymnastik

 

---

 

MUZIEK

 

Bij mijn weten is de steinerpedagogie het enige pedagogisch concept dat zo veel belang hecht aan muziek, al bestaan er ook andere scholen die muziek belangrijk vinden, maar er anders mee omgaan, in die zin dat muziek er een vak is, terwijl muziek in de steinerscholen niet alleen een vak is, maar op verschillende manieren in de pedagogie geïntegreerd is. Dankzij de vele schoolfeesten is muziek in de steinerscholen een element in de opvoeding waarin kinderen zich al jong kunnen tonen, zingend, en musicerend op instrumenten.

 

Maar het vak muziek heeft ook een antroposofische achtergrond die vooral tot uiting komt in de manier waarop kinderen tot negen jaar met muziek te maken krijgen. Vanuit de antroposofische inzichten van Rudolf Steiner hebben leerkrachten twee zaken met elkaar verbonden die niet altijd ten goede komen aan het kind.

 

1. Steiner heeft het over de muzikale beleving van de Atlantische mens die niet in staat was intervallen kleiner dan de septime te beleven. Na de ondergang van Atlantis begint het muziekbeleven van de voorchristelijke culturen stilaan wakker te worden voor de kleinere intervallen en wordt het kwintbeleven algemeen. Pas na de komst van Christus is de mens in staat de terts (grote en kleine) werkelijk te beleven en ontstaat die muziek die we vandaag nog kennen met zijn grote en kleine tertstoonaarden.

 

2. Herhaaldelijk heb ik in antroposofische lectuur gelezen dat het kind in versneld tempo de ontwikkeling van de gehele mensheid doormaakt.

 

Op basis van de combinatie van punt 1 en punt 2 beweren antroposofisch geschoolde leerkrachten dat het kind tot 9 jaar zich in het kwintbeleven van de voorchristelijke tijd bevindt en dat in de kleuterschool en de eerste drie klassen van de lagere school de kwintenmuziek en de pentatonische muziek de bovenhand moeten hebben. Pas in de derde klas mag men via de kerktoonaarden overgaan tot onze hedendaagse grote en kleine tertstoonaarden.

 

Dit is een veel te vernauwende benadering van de muziek voor kinderen tot negen jaar, die trouwens van jongs af aan vertrouwd zijn met de huidige muziekcultuur. Het gevolg is dat het muzikale leven van deze kinderen afgeremd wordt.

 

Om op de antroposofische achtergrond van het muziekbeleven in te gaan laat ik Steiner en enkele muziekleerkrachten aan het woord.

 

Steiner is voor een niet-antroposoof nogal cryptisch en heeft het onder andere over de sferenmuziek:

 

De krachten die muzikaal van aard zijn, zijn meer vanuit de buitenwereld, de buitenmenselijke wereld opgenomen, uit de waarneming van de natuur, uit het waarnemen van de processen in de natuur, vooral uit het waarnemen van de regelmatigheden en onregelmatigheden in die natuur. Door alles wat er in de natuur plaatsvindt gaat een geheimzinnige muziek: de aardse projectie van de sferenmuziek. In elke plant, in elk dier is eigenlijk een toon van de sferenmuziek belichaamd. Dat is ook nog het geval met betrekking tot het menselijk lichaam, maar het leeft niet meer in de menselijke spraak, dat wil zeggen, niet in de zielenuitingen; maar wel in het lichaam, in vormen daarvan en dergelijke. Dat alles neemt het kind onbewust op en dat maakt dat kinderen in zo hoge mate muzikaal zijn.

 

Wat Steiner over muziek gezegd heeft, vind je onder andere op:

http://fvn-rs.net/

met zoektermen: quintenstimmung, tonerleben, töne, …

en:

https://www.cielen.eu/steiner-uitspraken-pedagogie-muziek.htm

 

Elisabeth Lebret heeft het in Muziekboek voor de drie laagste klassen van de Vrije Scholen (1970) ook over de sferenmuziek, maar ook over het muziekbeleven in voorchristelijke tijden en zelfs preatlantische eonen en geeft tegelijk een beknopte uitleg over het antroposofische mensbeeld:

 

Rudolf Steiner deelt ons mee dat er tijden geweest zijn, waarin de mens nog geen tonen binnen de kwintomvang kon beleven. In nog oudere tijden geen tonen binnen de septiemomvang, en dáárvoor niet binnen none- en zelfs decimeomvang. Wanneer de mens toen muziek hoorde, geraakte hij onmiddellijk buiten zichzelf, en beleefde de sferenharmonieën in de bovenzinnelijke wereld. (Zie: Die Welt der Hierarchien und die Welt der Töne, 16 maart 1923.) Pas langzaam werd het de mens mogelijk, kleinere intervallen, ook die binnen de kwintomvang te beleven. Toen was het ‘ik’, de bovenzinnelijke kern van de mensen, zóver in verbinding met het (toen nog heel anders zijnde) fysieke lichaam gekomen, dat boven beschreven “Entrückung” niet zomaar meer plaats vond. Na de zondvloed was deze verbinding zo nauw geworden, dat de eerst uitgeklapte kwinten nu ook binnen het octaaf in een toonscala konden worden ervaren.

 

Heel in het kort gezegd: hoe verder het ik indaalt in het fysieke lichaam, hoe nauwer de intervallen worden, die het ik kan beleven.

 

Hier wordt in een notendop een proces beschreven, dat niet door eeuwen, maar door eonen heen zich voltrok. Er wordt verband gelegd tussen muziek en het mensenwezen in zijn geleidelijke afdaling in een fysiek lichaam, een ontwikkeling, die zich ook in elk apart mensenwezen voltrekt. Hiermee hebben wij in het onderwijs te maken. Wanneer Rudolf Steiner de pentatonische ladder aanbeveelt voor kinderen tot het negende jaar, dan ligt de vraag voor de hand of dat ene interval dat daarin niet voorkomt, de halve toonafstand, op deze leeftijd nog niet echt ervaren kan worden, omdat het ik zich nog niet ver genoeg met het fysieke lichaam heeft verbonden. De grondtoon, een fenomeen dat eveneens pas in een later stadium thuishoort, wordt door kleine kinderen ook nog niet als zodanig beleefd. De grondtoon is vooralsnog: vader en moeder, meneer of juffie. Een eerste klas is volkomen tevreden, als een liedje op de terts boven de grondtoon blijft hangen, of op de kleine terts onder de grondtoon. Dit, en het ontbreken van halve toonafstanden geven aan het pentatonische nu juist die openheid, die natuurverbondenheid, die karakteristiek is voor deze scala.

 

De volledige tekst van Elisabeth Lebret vind je op:

http://www.vrijeschoolliederen.nl/artikelen/vrijeschool-leerplan/elisabeth-lebret-muziekles-in-de-eerste-klas/

 

Beatrijs Gradenwitz en Petra Rosenberg schrijven in het nawoord van het liedboek Ik ben een zeemanskind het volgende:

 

… Je kunt een overeenkomst zien tussen de ontwikkeling van de mensheid als geheel en de ontwikkeling van ieder mens als individu. Hierin kunnen grote bewustzijnsveranderingen worden waargenomen die in de loop van de geschiedenis hun uitdrukking vonden in kunst en cultuur. Ook in de muziek is deze ontwikkeling duidelijk te zien. … In het muziekonderwijs kan dit leiden tot het inzicht in het belang van de muziek in de kwintsfeer voor kleine kinderen tot ongeveer 9 jaar. …Tussen het voorchristelijke tijdperk van de pentatonische muziek…

 

Uitgaande van de antroposofische visie over de mensheidsontwikkeling enerzijds en de opvatting dat ieder kind de mensheidsontwikkeling in zijn jonge jaren versneld doormaakt anderzijds, wordt er in de steinerscholen op muzikaal vlak pentatonisch gewerkt tot en met de tweede klas en nog deels in de derde klas. Omdat de kinderen echter volop geconfronteerd worden met de hedendaagse muziek die meestal majeur of mineur van karakter is, moet men volgens Steiner, niet te fanatiek aan de kwintenstemming vasthouden. Gelukkig maar.

 

Wat betekent dit voor de steinerpedagogie?

 

In de kleuterscholen wordt hoofdzakelijk pentatonisch gezongen en gemusiceerd.

 

In de eerste klas overheerst de pentatoniek.

 

In de tweede klas nog pentatoniek en in de loop van de derde klas komt men los van de pentatoniek en komt men via de kerktoonaarden tot de diatonische toonladder.

 

Op basis van ‘geesteswetenschappelijke’ uitspraken van Steiner — weet er überhaupt iemand hoe de bewoners van Atlantis (als ze al bestaan hebben) muziek beleefden? — dwingt men kinderen pentatonische liederen te zingen, zelfs als die kinderen al lang de pentatonische fase — meestal beperkt tot de zaag- ofte kinderdeun so-la-so-mi — ontgroeid zijn. Kleuters kunnen wel spontaan pentatonisch zingen, vooral als ze improviseren, maar in de eerste klas kom je die spontane pentatoniek nog amper tegen.

 

Muziek in de steinerschool gaat dus uit van een antroposofische ideologie en jammer genoeg te weinig van een muzikaal-pedagogische visie.

 

Moet de pentatoniek dan maar ineens uit het curriculum verwijderd worden?

 

Dat hoeft niet, want pentatoniek heeft bepaalde waarden die ook buiten de steinerscholen erkend en gebruikt worden.

 

Zo is pentatoniek ideaal om blokfluit te leren spelen. Zie: https://www.cielen.eu/muziek-blokfluit-leren-spelen.pdf

 

Kwintenmuziek (pentatoniek rond de toon a) is bijzonder goed geschikt om de intervallen te leren.

 

Met pentatoniek en vooral kwintenmuziek kun je uitstekend instrumentaal improviseren.

 

Kwintenmuziek – op voorwaarde dat zij werkelijk los staat van maat en grondtoongevoel – kan zeer rustgevend zijn. Maar gebruik ze niet te pas en te onpas, want dan werkt het niet meer. Er zijn leerkrachten die – om de klas stil te krijgen – om de haverklap een kwintenmelodie op een klokkenspel spelen.

 

Voor uitleg over kwintenmuziek kun je terecht op de site van Elisabeth Lebret.

 

 

Hoewel de steinerscholen muziek belangrijk vinden, wordt er te weinig mee gedaan. Zo vind ik op een site van een steinerschool het volgende voor de eerste klas:

 

Natuurlijk worden er pentatonische liederen met een dromerige en sprookjesachtige stemming gezongen die aansluiten bij de vertelstof. Als Sinterklaas de blokfluit heeft gebracht, leren de kinderen liedjes spelen met twee en drie tonen.

 

Waarom moeten eersteklassers wachten tot 6 december om met blokfluitspelen te beginnen?

 

Waarom mogen ze maar twee en drie tonen leren spelen?

 

Waarom staat er ‘natuurlijk worden er pentatonische liederen …’? Is het zo natuurlijk dat kinderen in de eerste klas pentatonische liederen zingen?

 

Voor de tweede klas staat er:

 

In de muziekles wordt er nog steeds pentatonisch (zonder halve tonen) gezongen en sluiten de liederen aan bij de jaarfeesten of de vertelstof (liederen over dieren). Het spel op de blokfluit wordt uitgebreid met de lage tonen en er wordt al eens een ander instrument geïntroduceerd: xylofoon, klokkenspel, eigen instrument …

 

Als kinderen van nature al veel verder staan dan de pentatonische muziek, waarom hen dan nog dwingen daarmee door te gaan? Soms heb ik de indruk dat steinerscholen de kinderen willen tegenhouden in hun ontwikkeling, terwijl onderwijs juist dient om de ontwikkeling te stimuleren. Onderwijs moet altijd een stap vóór zijn op de ontwikkeling van het kind. Het kind moet zich kunnen ‘optrekken’ aan de leerstof.

 

Waarom nu pas andere instrumenten introduceren? Die kunnen al van in de kleuterklas uitstekend aan bod komen.

 

 

In de derde klas (Elisabeth Lebret):

 

De pentatonische scala gaan we vaarwelzeggen. De oude kerktoonaarden echter (dorisch, frygisch, lydisch en mixolydisch), met hun sterk religieus karakter, kunnen ons nog goed dienen voor de muzikale omlijsting van die allerbelangrijkste vertelstof: Het Oude Testament.

 

Daarmee is het gevaar dat de derde klas een religieuze Bijbelklas wordt nog wat groter geworden: kerkmuziek bij de Bijbelverhalen. Als de kerktoonaarden in de oude volksmuziek aan bod komen, is het geen probleem, maar kerkmuziek bij Bijbelverhalen? Eens te meer wordt de steinerschool op deze manier een kerk in plaats van een school.

 

Waarom worden de verhalen van het Oude Testament de allerbelangrijkste vertelstof genoemd?

 

Mijn mening is dat het Oude Testament niet in de derde klas thuishoort. Je moet de meeste verhalen uit het Oude Testament als mythes beschouwen en dan horen ze beter thuis in de verhalenstof van 4e-5e-6e klas. Welke verhalen dan wél in de derde klas? Ik geef de voorkeur aan plaatselijke legenden en sagen – zoals bijvoorbeeld Lange Wapper in Antwerpen - en aan verhalen uit de wereldliteratuur zoals Willem Tell, Robinson Crusoë, Alibaba, Robin Hood en zoveel andere boeiende verhalen uit de wereldliteratuur. Vanzelfsprekend moeten de Bijbelse verhalen aan bod komen in de lagere school, want overal zijn er kunstwerken en gebouwen in onze omgeving die daarmee verband houden. Om die reden moeten ook verhalen uit het Nieuwe Testament opgenomen worden in de vertelstof van de lagere school (klassen 4-5-6) en die ontbreken nu.

 

 

Willemijn Soer: Muziekmaken met en voor jonge kinderen: over de betekenis van de kwint, maakt het nog wat duidelijker hoe antroposofie de muziek op school beïnvloedt:

 

… Het kind maakt in zijn ontwikkeling in het kort de ontwikkeling van de mensheid door. Voor zover dat het muziekbeleven betreft, heeft Rudolf Steiner dit beschreven in Das Tonerlbenis im Menschen. Zo kunnen we ons voorstellen dat onze zeer jonge kinderen de Egyptische cultuurperiode (+/- 3000 – 800 voor Christus) nog eens doormaken. In die tijd ging voor de mensen het directe beleven van de geestelijke wereld al enigszins verloren en begon het leven van de aarde zich langzamerhand kenbaar te maken voor de zintuigen. Men had dus tot beide werelden, de geestelijke en de aardse, een zekere toegang. Het “ademen” nu tussen die twee werelden, het wisselend “buiten” en “binnen” zijn, uitte zich muzikaal in het interval kwint … Het jonge kind heeft deze adem ook nog in zich; het komt uit de geestelijke wereld, is er nog mee verbonden en onbewust verbindt het zich ook al, door de zintuigen, met de aarde.

 

In het leerplan van de 2e en 3e klas van de vrijeschool wordt een liedrepertoire aanbevolen van liederen “in pentatoniek en kerktoonsoorten”. Als er een grondtoon ontstaat in kwintenmuziek noemen we het geen kwintenmuziek meer, maar pentatoniek. Volksmuziek uit alle richtingen getuigt hiervan.

 

Voor de 8-jarigen geeft de pentatoniek precies wat er nodig is: grond onder de voeten en tevens een eerste begin van het aanspreken van een binnenwereld. De kinderen van de tweede klas vragen om stevigheid, uitdaging en humor en dit alles is niet meer alléén in de kwintenmuziek uit te drukken.

 

Het kind in de derde klas verliest de kwint in zijn volle betekenis, verliest de vrije toegang tot de geestwereld. Daar moet iets tegenover komen te staan. Ik ervaar de verhaalstof van de derde klas, het Oude Testament, dan ook als een wijze troost voor een ongeweten verdriet. Wat de muziek kan bijdragen aan deze troost is gelegen in kerktoonsoorten.

 

Nu is de tijd voorbij waarin de volwassene voor het kind een muzikale omgeving schiep, hem aan de hand nam en hem door het land van de kwint leidde. Nu is voor het kind de tijd aangebroken om zélf muziek te gaan maken, zich een eigen instrument te gaan kiezen, het notenschrift te gaan lezen én schrijven; nu gaat het kind de muziek dienen, op zijn weg door de wereld van de terts.

 

Er is nog meer antroposofie vermengd met muziek.

 

Vele steinerscholen gebruiken antroposofisch vormgegeven instrumenten zoals fluiten en lieren. Het zijn meestal zeer kwetsbare, delicate instrumenten. Ik ben nooit helemaal overtuigd geraakt van de muzikale waarde ervan en heb ze dan ook vermeden. Wat me wel opviel is dat de adepten en overtuigden van deze instrumenten zeer opdringerig te werk gingen om deze instrumenten aan de scholen te slijten.

 

Toen ik halverwege de jaren ’70 muziekpedagogie gaf aan cursisten die zich bijschoolden voor de steinerpedagogie, werd ik door zo'n opdringerige adept opzijgeschoven, want er was volgens hem maar één goede muzikale pedagogie - de antroposofische muziektheorie in combinatie met de antroposofische instrumenten - en alléén die mocht onderwezen worden.

 

Op een muziekcursus in de Waldorfschool in Stuttgart, enkele jaren later, werd de cursus op een ongehoord brutale manier verstoord door gelijkaardige fanatiekelingen die alle aandacht opeisten.

 

Weer enkele jaren later ontmoette ik op een bijscholingsweekend in een Duitse Waldorfschool enkele muziekleerkrachten die hun beklag deden over de antroposofische muziekpedagogie. Hun bevinding was dat het muzikale leven in de scholen erop achteruitgegaan was.

 

In een eerste klas met antroposofische fluiten zag ik dat er onnoemelijk veel meer aandacht ging naar het zijden doekje, de wisser, het doosje en het verzorgen van de fluit dan het bespelen ervan. Bovendien was dat bespelen zo ingehouden dat de kinderen er helemaal geen plezier aan beleefden. En dan na twee tonen weer de fluit schoonmaken, voorzichtig – want die fluiten zijn zo kwetsbaar (blijkbaar zijn er sinds kort wat robuustere fluiten) – in het zijden doekje draaien en dan weer in het doosje. Na de vingerzetting op de pentatonische fluit in eerste en tweede klas moesten de kinderen in de derde klas de andere vingerzetting op de diatonische fluit leren: weer typisch steinerschool, te vergelijken met het leren van kapitalen in de eerste klas, onderkastletters in de tweede klas en gebonden schrift in de derde klas, al houdt men nu gelukkig niet meer zo hevig vast aan dat leren van drie lettertypes. Waarom dan ook niet vanaf de eerste klas een gewone blokfluit (of diatonische fluit) geven?

 

Ik waardeer de zorg en het respect die de kinderen voor hun instrument hebben (moeten hebben), maar een instrument dient toch in de eerste plaats om bespeeld te worden.

 

Tijdens een muziekles in een eerste klas zouden de kinderen op de pentatonische liertjes spelen. Na een spreuk - de dag was al begonnen met een spreuk, de handwerkleerkracht had bij begin en einde van de les een spreuk gezegd, en nu dus weer een spreuk - begon de leerkracht met het uitdelen en stemmen van de liertjes. Dat nam zoveel tijd in beslag dat er tegen het einde van de les amper op de instrumentjes gespeeld was: één pentatonisch lied werd op de liertjes begeleid. Omdat het pentatonisch was kon ieder kind gelijk welke snaar aanstrijken met de vingers. Dat was dan tenminste één voordeel van deze instrumenten en van de keuze voor pentatoniek.

 

Kinderen in sommige steinerscholen worden onbewust ondergedompeld in antroposofische muziekgeschiedenis op antroposofisch vormgegeven instrumenten. Maar gelukkig zijn er ook steinerscholen die hier niet aan meedoen en waar het muzikale voorgaat op de ideologie.

 

Tot slot:

 

Vanaf de vierde klas gaat het muzikale leven in vele steinerscholen de goede kant op en komen kinderen meer en meer toe aan volwaardig musiceren, ook meerstemmig en op diverse ‘normale’ instrumenten – al gaat het naar mijn mening nog te traag. Schoolkoren en schoolorkesten bereiken soms wel een hoog niveau.

 

https://www.cielen.eu/vakken/kunstzinnige%20vakken/muziek.html

https://www.cielen.eu/muziek-blokfluit-leren-spelen.pdf

https://www.cielen.eu/muziek-kleuterschool-lagere-school.pdf

 

---