dierkunde

...als de leerkrachten meer vrijheid en vertrouwen krijgen, dan moeten de eindtermen gereduceerd worden. Leerkrachten zullen dan de kans krijgen om meer eigen lesstof te ontwikkelen... (DM 2015-06-03)

Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 

DIERKUNDE (wereldoriëntatie)

 

Kinderen zijn van jongs af bijzonder geboeid door dieren. Om die reden wordt er in kleuterschool en lagere school veel aandacht besteed aan dieren. Niet dat de kinderen dieren mee in de klas brengen, dat raden we - uit respect voor het dier - ten stelligste af, maar wel als hoofdfiguren in talloze verhalen en als onderwerp van lessen W.O.

 

Het verhaal dat tijdens het herfstfeest wordt verteld is steeds een verhaal over dieren. Enkele voorbeelden: Franciscus en de wolf van Gubbio; Hiëronymus en de Leeuw; De jongen die katten leerde tekenen enz.

De inhoud van vele taallessen gaat over dieren.

 

Een van de eerste taalperiodes in eerste en tweede klas is heel bijzonder gericht op dieren: daarin worden dierenfabels verteld en gelezen.

 

Boetseren gebeurt bijna altijd met dieren als onderwerp, in alle klassen.

 

De lessen W.O.-Dierkunde worden bijna altijd klasoverschrijdend aangeboden.

 

In derde en vierde klas - maar ook nog in de vijfde klas in samenhang met plantkunde of aardrijkskunde - zijn er periodes dierkunde. Daarin worden dan enkele dieren besproken. Dat gaat als volgt:

 

Eerste dag: Kennismaking met het dier

De leerkracht brengt een boeiend en levendig verhaal over het dier dat hij heeft gekozen.

De leerlingen vullen kort aan met eigen kennis en ervaring (de volgende dag mogen ze uitgebreider aan het woord komen).

(facultatief) De leerkracht dicteert een tekst over het dier. Niet over elk dier wordt een dictee gegeven.

(facultatief) De leerlingen schrijven zelf een tekst over het dier aan de hand van het verhaal van de leerkracht, maar mogen er ook eigen ervaringen in verwoorden. Niet over elk dier schrijven de leerlingen een opstel. Dit kan ook (en meer zinvol) op de tweede dag.

(facultatief) De leerlingen lezen een tekst over het dier en beantwoorden vragen (begrijpend lezen). Niet over elk dier wordt een tekst gelezen. Nu eens is het een dictee, dan een leestekst, dan een opstel.

De leerkracht en de kinderen maken schetsen van het dier.

 

Tweede dag: Kunstzinnige verwerking

De leerkracht geeft in een vertelling aanvulling bij de vorige dag.

De leerkracht brengt het dier in een ruimere context: geschiedenis, aardrijkskunde, ecologie, maar ook in liederen, gedichten en uitdrukkingen. Die gedichten en uitdrukkingen worden geoefend en in de loop van de volgende dagen gememoriseerd.

De kinderen vertellen zelf over het dier dat de dag voordien besproken is. Zij vertellen over eigen ervaringen met dat dier. Of wat ze erover gelezen hebben. Het is opvallend dat vele kinderen de avond voordien thuis een en ander opgezocht hebben over dat dier. Leerkracht en kinderen maken een aantal schetsen van het dier in verschillende houdingen. Dit wordt goed geoefend zodat de kinderen snel en vrij correct het dier kunnen typeren.

De leerkracht geeft uitleg over dieren die verwant zijn aan het dier dat besproken is. Dit kan ook op de derde dag.

De kinderen zoeken nu op en nemen teksten en tekeningen over uit diverse boeken.

De kinderen schrijven eigen teksten over het dier of een verwant dier (kan ook op de eerste dag).

 

Derde dag en verder

De derde dag verloopt zoals de eerste dag maar over een ander dier. Bij voorkeur een dier dat verwant is aan het vorge.

 

Zo gaat de periode verder, waarbij steeds de leerkracht eerst zelf een dier voorstelt en dan de kinderen laat aanvullen. Dit is belangrijk om een goede luisterhouding aan te leren. Ook al weet een kind al veel over een dier, toch moet het eerst naar het verhaal luisteren dat de leerkracht brengt. Deze moet dan ook zorgen dat zijn verhaal heel boeiend is en een afgewerkt geheel is. Maar niet alles hoeft in dat verhaal verteld te worden, wat ontbreekt mogen de kinderen aanvullen.

 

Het verhaal gaat ook steeds vooraf aan de waarneming. Eerst het woord, dan het beeld is een belangrijke stelregel. Laten we de kinderen eerst waarnemen dan valt op dat ze niet zoveel zien, maar vertellen we eerst, en laten daarna waarnemen, dan zien we dat de kinderen veel betere waarnemers zijn geworden. Het tekenen van de dieren bevordert ook de waarneming: hoe zitten die achterpoten aan het lichaam, hoe is de kop, hoe is de romp, hoe zitten de vleugels eraan? Al tekenend wordt dit bestudeerd.

 

 

Een week in een dierkundeperiode kan er zo uitzien:

1e, 2e en 3e dag over een dier en een verwant dier (bijvoorbeeld de wolf en de hond)

4e en 5e dag: een totaal ander dier (bijvoorbeeld de walvis)

 

Of zo:

1e en 2e dag: een dier (bijvoorbeeld de tijger)

3e dag: een ander dier (bijvoorbeeld de garnaal)

4e en 5e dag: een derde dier (bijvoorbeeld de zwaluw)

 

Memoriseren van teksten, liederen, gedichten

Je begint ermee tijdens de dierkundeperiode en oefent dagelijks verder in de volgende periodes.

Niet alle teksten, gedichten en liederen hoeven gememoriseerd te worden.

Gedichten kunnen ook gebruikt worden in ritmiek.

Gedichten die ritmisch gesproken worden (ritmiek) kunnen uitgroeien tot een lied (improvisatie).