vormtekenen

...als de leerkrachten meer vrijheid en vertrouwen krijgen, dan moeten de eindtermen gereduceerd worden. Leerkrachten zullen dan de kans krijgen om meer eigen lesstof te ontwikkelen... (DM 2015-06-03)

Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 

 

VORMTEKENEN

 

Elk kind begint op een bepaald moment in zijn ontwikkeling te tekenen. Eerst zijn dat krabbels vanuit de schouder, enkele maanden later vanuit de elleboog en weer een tijd later vanuit de pols. Dan is het moment aangebroken waarop het kind voor het eerst een gesloten kromme tekent en kan het 'tekenen' beginnen. Het kind is op dat moment ook 'kleuter' geworden. Tekenen hangt nauw samen met de ontwikkeling van een kind en gebeurt over heel de wereld op dezelfde wijze.

Nu is het de taak van de school om het tekenen verder te laten ontwikkelen. Dit gebeurt op twee manieren. De eerste is de begeleiding van het vrije tekenen, meestal aan de hand van verhalen, maar ook als illustratie bij leerstof. De tweede is het vormtekenen, waarin wordt uitgegaan van rechte en gebogen lijnen; Uit dit vormtekenen ontstaan twee disciplines: in de eerste klas is dit het gebonden schrift; in de derde/vierde/vijfde/zesde klas is dit de meetkunde.

 

Vormtekenen leidt tot het gebonden schrift.

Vanuit het vormtekenen ontstaat in de eerste klas het gebonden schrift (lopend schrift). Vanaf de eerste schooldag in de eerste klas wordt dit vormtekenen dagelijks geoefend, het is zo opgebouwd dat tegen Kerstmis uit die vormen de letters zijn ontstaan. Dit gebeurt gelijktijdig met het leren lezen, maar daarvoor worden de kleine drukletters gebruikt. Om zelf te schrijven gebruiken de kinderen het gebonden schrift, om te lezen hanteren ze de kleine drukletter en om te tekenen gebruiken ze de grote drukletter.

Vormtekenen leidt tot meetkunde.

Vanaf de eerste klas krijgen de kinderen ook namiddagperiodes vormtekenen. Dit is een ander soort vormtekenen. Vanuit rechte en kromme lijnen, met spiegeling en symmetrie ontstaan er vlakken. Die vlakken evolueren tot cirkel, ellips, vierkant, rechthoek enz. In de derde klas kunnen de kinderen uit de losse hand cirkels tekenen en verdelen in twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf gelijke delen. Daarin ontstaan dan allerlei vormen dankzij spiegelen en symmetrie. Eén basisvorm krijgt meer aandacht: dat is de zeshoek met daarin de zesster. In die figuur ontdekken de kinderen van de derde klas alle vlakke meetkundige figuren, behalve het vierkant. In die meetkundige vormen ontstaan tevens de eerste vlechtvormen.

 

In de vierde klas worden de vlechtvormen - meestal de Keltische knoopfiguren - uitvoerig behandeld en geoefend.

In de vijfde klas wordt er verder gewerkt aan vlechtvormen zoals die te vinden zijn in de Germaanse, Keltische, Longobardische, Indische en Perzische vormentaal. Griekse meanders zijn ook aan de orde in de vijfde klas. In de meetkunde wordt het vormtekenen van de derde klas weer opgenomen, maar nu met passer en lat en héél nauwkeurig werk. Uit de zeshoek-zesster ontstaan nu weer alle meetkundige vormen en worden nu ook het vierkant, de vijfhoek en vijfster, twaalfhoek en twaalfster (verschillende mogelijkheden) geconstrueerd. Ook driedimensionele vormen op basis van de gelijkzijdige vlakken worden gemaakt: de platonische lichamen.

In de zesde klas worden de islamitische vlechtvormen geanalyseerd en geconstrueerd. Het zijn dikwijls zeer ingewikkelde figuren, waarbij goed moet nagedacht worden. De vormentaal van het Alhambra is de leidraad, maar vlechtfiguren uit moskeeën worden ook nagetekend. In de meetkunde worden de vlakke figuren weer getekend, maar nu ook berekend.