klas 1- groep 3

...als de leerkrachten meer vrijheid en vertrouwen krijgen, dan moeten de eindtermen gereduceerd worden. Leerkrachten zullen dan de kans krijgen om meer eigen lesstof te ontwikkelen... (DM 2015-06-03)

Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 
PDF voor printer. Alleen teksten, geen afbeeldingen

EERSTE LEERJAAR - GROEP 3

 

 

Wat zijn ze groot, die nieuwe eersteklassers op de eerste schooldag! Tenminste, zo voelen ze zich. In werkelijkheid zien de meesten er nog erg jong en klein uit. Maar allen komen met een grote wens en een groot verlangen naar de 'grote' school: leren lezen. In mindere mate zal ook leren schrijven en leren rekenen deel uitmaken van de droom. En een enkeling zal uitkijken naar de blokfluit.

 

Het is de taak van de school om aan het grote verlangen tot leren tegemoet te komen. Daarom beginnen we op de eerste*schooldag van de eerste klas onmiddellijk met datgene waarvoor de kinderen enthousiast naar school komen: leren lezen, leren schrijven, leren rekenen, leren blokfluit spelen, leren... Ook al gaat het direct over leren, dit hoeft absoluut niet saai te zijn. Maar de kinderen worden wel onmiddellijk vertrouwd gemaakt met de nieuwe werkwijze die meestal sterk zal verschillen van deze van de kleuterschool. Het is goed dat er een duidelijke cesuur is tussen kleuterschool en eerste klas: de kinderen kijken er naar uit en groeien er met een zekere spanning naartoe. Hoe de eerste schooldag in de eerste klas (steinerscholen, Rinkrank) verloopt kun je hier lezen.

 

* Eerste: de eerste schooldag van het schooljaar is een feestelijke dag met plechtige opening van het schooljaar, met verhaal en poppenspel en muziek. Daarna ontvangst van de eersteklassers in hun klaslokaal met een klein geschenk. Zo mogelijk volgt daarna een receptie voor ouders en kinderen. Daarna uitdelen van schoolgerief enz.

De tweede schooldag is dan de eerste echte schooldag.

 

 

Enkele zaken moeten zéér duidelijk zijn:

De kinderen van de eerste klas hebben veel nood aan BEWEGING. In elke les moeten voldoende bewegingselementen zitten. Kinderen mogen nooit langer dan een halfuur op een stoel of een bank zitten.

 

Het leren lezen steunt op twee aspecten: ANALYSE en SYNTHESE. Als beide in een goed evenwicht dagelijks aan bod komen, leren de kinderen bijna spontaan lezen.

 

Het leren SCHRIJVEN ondersteunt het leren lezen. Goede pedagogen en didactici zeggen het duidelijk: het leren lezen ontwikkelt zich uit het leren schrijven. Dit is ten dele waar, maar het probleem is dat het leren schrijven nogal wat tijd vraagt en dat het leren lezen - waar de kinderen zo op uit zijn - te lang op zich laat wachten. Lezen schrijven en leren lezen gebeuren simultaan.

 

In al het werk dat de kinderen maken, moet er een streven naar SCHOONHEID zitten. De leerkracht besteedt de nodige aandacht aan het bordschema en aan al wat de kinderen aangeboden krijgen. Geef de kinderen nooit rommel.

 

De kinderen in de eerste klas voelen zich groot. Spreek met hen dan ook op een volwassen, normale toon, betuttel hen niet en gebruik geen verkleinwoorden. Deze kinderen zijn geen kindjes die op een stoeltje aan een tafeltje zitten te tekenen met kleurpotloodjes. Ze zitten op een stoel aan een tafel en tekenen met kleurpotloden. Je geeft hen geen handje, maar een hand. Maar een handje toesteken als het nodig is mag wel.

 

 

MUZIEK

Liederen in verschillende talen: Nederlands, Engels, Frans, Duits, Italiaans en Spaans zijn een must; andere talen kunnen op voorwaarde dat de leerkracht de uitspraak en de betekenis ervan kent. Muziek kan en moet in alle andere vakken aan bod komen.

Taal: het zeggen van het alfabet (van A tot Z, maar ook van Z tot A, kan gecombineerd worden met ritme, melodie, zang, instrumenten.

Wiskunde: het oefenen van maal- en deeltafels en van optellingen en aftrekkingen tot 10 (later tot 20) kun je ondersteunen met zang en instrumenten.

Cultuurbeschouwing: Vóór de aanvang van het verhaal zingen of voorspelen om tot stilte te komen. Na het verhaal een gekend lied zingen.

W.o.: seizoensgebonden liederen, kinderlied (met beweging) en volkslied.

Instrumentaal: het spel op de sopraanblokfluit vangt aan vanaf de eerste schooldag. Een blokfluit is een pedagogisch instrument en moet dus vanaf dag één ter beschikking staan (en niet - zoals in sommige scholen - later in het jaar gebracht worden door Sinterklaas of een andere geschenkenuitdelende heilige). De eenvoudige kinderliederen worden in verschillende toonaarden gespeeld (transponerend musiceren); steeds op het gehoor (geen notenbeeld) én eenstemmig. Veel gebruikmaken van ritmische instrumenten zoals handtrom, trom, pauk, cymbaal, klokkenspelen, xylofoon, woodblock e.a.

 

TEKENEN

De typische kleuterstijl met zijn drieledige opbouw van grond (groen of bruin), hemel (blauw) en daartussen de lucht blijft nog maandenlang voorkomen. Stilaan zal de hemel zich terugtrekken en verdwijnen. De grond zal ook verdwijnen of opgaan in het middendeel, en wat bij de kleutertekeningen het middengebied (lucht) was, zal uitbreiden.De figuren, huizen, dieren en bomen (bloemen) zullen daar te zien zijn. Naar het einde van de eerste klas komt er meer diepte in de tekeningen door het plaatsen van de figuren op verschillende niveaus.

De kinderen tekenen bij voorkeur met dunne kleurpotloden (geen kleurknotsen).

Tekenen komt ook aan bod in de lessen cultuurbeschouwing, taal, wiskunde, w.o., Frans en Engels.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vormtekenen:

In de eerste plaats zijn dit tekeningen die leiden tot het gebonden schrift (lopend schrift). Het zijn tekeningen die gebaseerd zijn op bewegingen die nodig zijn om tot een mooi handschrift te komen. De bewegingen worden in ritmische patronen herhaald, uitgaande van rechte en gebogen lijnen. Deze vormtekeningen worden in de eerste helft van het schooljaar dagelijks gemaakt (2 of 3 verschillende vormen per dag).

Daarnaast komen symmetrie- en spiegeloefeningen aan bod, meestal in de wekelijkse les vormtekenen. .

Vormtekeningen kunnen zeer goed gecombineerd worden met wiskunde (als illustratie op rekenbladen).

De hoofdletters van het gebonden schrift worden - vanaf het tweede trimester - gecombineerd met vormtekeningen waarin de bewegingen zitten die nodig zijn voor het vloeiend schrijven.

 

SCHILDEREN

Nat-in-natschilderen: kleuroefeningen en vooral kleuren mengen. Elke kleur moet dynamisch worden: beweeglijk en rijk aan tinten.

Schilderen kan naast de vaklessen aan bod komen in de lessen w.o.

 

BOETSEREN

Met klei en bijenwas diervormen boetseren vinden de kinderen in deze klas steeds weer leuk.

Boetseren kan naast de vaklessen aan bod komen in de lessen w.o.

 

TONEEL

In de eerste klas zijn er nog veel kleuterelementen aanwezig in het spel: de kinderen spelen spontaan maar kunnen ook geleidelijk regieaanwijzingen aanvaarden en opvolgen. Kleine toneelstukjes kunnen in taalperiodes en in lessen w.o. Een kerstspel of een sprookje opvoeren doen de kinderen met veel plezier.

 

TAAL NEDERLANDS

Lezen:

Uitgaande van analyse en synthese leren de kinderen lezen. Dit is een bij uitstek klassikaal gegeven, maar al snel zullen er grote individuele verschillen optreden en krijgen de kinderen naargelang hun mogelijkheden boeken aangeboden.

Dagelijks een moment voorzien waarop ieder kind in een boek kijkt of leest is aan te raden.

Deel een klas nooit op in leesgroepen volgens leesvaardigheid.

Werk nooit met technische leesniveaus zoals AVI. Lezen kan nooit alleen een technische vaardigheid zijn, het is ook altijd tegelijk een opnemen van de inhoud.

Bij het aanvankelijk lezen zal de klemtoon liggen op de meervoudsvorm van de zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden en op de verbogen vorm van de bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Dit bevordert in een later stadium de correcte spelling.

 

Expressief lezen:

De kinderen oefenen zelfgeschreven teksten of andere teksten om ze voor te lezen.

Terwijl de klas een tekenopdracht of een ander werk maakt, lezen kinderen individueel hun voorbereide tekst.

 

Schrijven:

Het leren schrijven vangt aan met vormtekeningen op basis van combinaties van rechte en gebogen lijnen. Aanvankelijk met dunne kleurpotloden, dan met schetspotlood (HB) en ten slotte met vulpen. Deze vormtekeningen monden uit in geschreven woorden waarbij de individuele letters daarna pas goed geoefend worden.

Naast het schrijftechnische (pengreep, lijnvoering, houding, beweging) krijgt het creatief schrijven vanaf het 2e trimester de nodige aandacht. Best is om regelmatig enkele schrijfopdrachten per week te geven, liefst tijdens de verwerking (na de instructie) en individueel. In periodes als w.o. kunnen er klassikale schrijfopdrachten komen.

 

Spelling

Bij het leren lezen is het belangrijk om woorden te nemen met twee lettergrepen en dus niet te lang en te eenzijdig bij eenlettergrepige woorden te blijven hangen. Dit zorgt ervoor dat er minder problemen ontstaan bij verdubbeling van de medeklinker of halvering van het aantal klinkers.

Een dagelijks dictee gebaseerd op auditieve analyse, al dan niet in combinatie met visuele synthese, is een noodzaak.

Korte rekendictees vanaf het 2e of 3e trimester bieden een ideale combinatie om spelling en hoofdrekenen te combineren. Bovendien leren de kinderen inzicht krijgen in de werkwijze die ze moeten toepassen om de oplossing te vinden.

 

 

VERHALEN (vertelstof) CULTUURBESCHOUWING

Steiner voorzag sprookjes voor de eerste klas.

Ik geef de voorkeur aan sprookjes, fabels en dierenverhalen.

 

Het allerbeste is om 1e en 2e klas samen te nemen tijdens de verteluren. Zo kunnen sprookjes, fabels en dierenverhalen gespreid worden over twee schooljaren.

Voordelen:

Er is telkens een leerkracht vrijgesteld van vertellen, waardoor hij meer tijd heeft om één verhaal per week grondig voor te bereiden.

De kinderen van de tweede klas kunnen de eersteklassers helpen bij het schrijven over de verhalen.

Kinderen van 1e en 2e klas tekenen samen over de verhalen, waardoor ze elkaar stimuleren. Voor de eersteklassers is dit een stevige stimulans.

Eén leerkracht kan vertellen, de ander maakt bijvoorbeeld een bordtekening over het verhaal.

 

rekenen 1e klas Steinerschool Antwerpen 2012

 

WISKUNDE

Hoofdrekenen

De optelling en de aftrekking tot 10 wordt intensief geoefend. In de loop van de eerste klas wordt dit uitgebreid tot 20. De automatisatie van optellen en aftrekken tot 20 (mét brug over het tiental) is een noodzaak om later (vanaf de tweede klas) vlot te kunnen hoofdrekenen met grote getallen en te kunnen cijferen.

Het is niet zinvol om veel aandacht besteden aan de brug over het tiental. Als kinderen vlot kunnen optellen en aftrekken tot 20 is de brug over de 10 bijzaak. De brug over de 10 is pas belangrijk bij het cijferen, maar zelfs dan is het goed automatiseren van + en - tot 20 véél belangrijker.

De kinderen leren vlot werken met de getallenlijn tot 20 (en laer tot 30 enz.)

Het getalbegrip zéér goed oefenen.Bij zwakke rekenaars lang blijven oefenen op de getallen tot 5 en stilaan uitbreiden.

 

Breuken

Bij het oefenen van maal- en deeltafels kunnen breuken 'toevallig' aan bod komen. Een half, een derde, een vierde ontstaan bij het werken met materialen.

 

Rekendictee

Zo mogelijk komt er in de loop van het 2e trimester dagelijks een kort rekendictee waarbij de kinderen zowel op de spelling letten als op de werkwijze die ze moeten gebruiken om de oplossing te vinden.

 

 

WERELDORIËNTATIE (W.O.)

In de eerste klas gaan de lessen wereldoriëntatie hoofdzakelijk over de seizoenen, de maanden, de dagen en de indeling ervan in uren.. Zowel eigen beleving als waarneming als verhalende sprookjeselementen komen aan bod. Maar ook het schoolleven in samenhang met de seizoenen (feesten, vakanties, liederen). Het leven van verschillende dieren in samenhang met de seizoenen. Zo veel mogelijk observaties en acties (uitstappen, belevingselementen, doeopdrachten enz.). Klasgesprekken. Korte opstellen (vanaf het 2e trimester).

Vormt de 1e klas een combinatieklas met de 2e klas, dan kunnen de onderwerpen gespreid worden over twee schooljaren en krijgen beide klassen tezamen les.

 

ICT (Informatie- en communicatietechnologie)

De computer wordt dagelijks gebruikt als herhalingsinstrument (met overhoorprogramma's) voor rekenen en taal.

 

FRANS

Vooral mondeling: liederen, gedichten, korte teksten die uit het hoofd geleerd worden, korte conversatieoefeningen, nieuwe woordenschat en herhaling.

 

ENGELS

Vooral mondeling: liederen, gedichten, korte teksten die uit het hoofd geleerd worden, korte conversatieoefeningen, nieuwe woordenschat en herhaling.

 

--------------------------------

 

 

DE EERSTE KLAS IN COMBINATIEKLASSEN

Als de eerste klas deel uitmaakt van een combinatieklas kunnen bepaalde periodes en lessen tezamen met een andere klas of andere klassen gegeven worden.

Voorbeelden:

combinatieklas 1-2-3:

De muzikale opmaat gebeurt met de 3 klassen tezamen. De derdeklassers spelen dan vooral op de altfluit, de eerste- en tweedeklassers spelen op de sopraanblokfluit.

De mondelinge herhaling gebeurt met de 3 klassen tezamen.

De instructie voor de tweede klas komt na die voor de 1e klas. Terwijl de kinderen van 2 en 3 hun instructie krijgen werken de kinderen van de eerste klas aan hun werk. Kinderen die hulp nodig hebben wenden zich tot kinderen van de 2e of 3e klas of gaan bij elkaar te rade.

In sommige periodes kunnen de 1e en de 2e klas samen les krijgen. Dat kan bijvoorbeeld in de lessen w.o. waarin dan onderwerpen gekozen worden die voor beide klassen geschikt zijn. Het w.o.-programma kan dan over 2 schooljaren gespreid worden.

Frans en Engels kan met de 3 klassen tezamen gebeuren.

Cultuurbeschouwing: eerste en tweede klas kunnen best samen genomen worden voor de verhalen. Het tekenen en schrijven over de verhalen kan ook met 1 en 2 tezamen.

L.O. en zwemmen: de 3 klassen samen.

Toneel: zowel 1e als 2e als 3e klas kunnen apart toneel oefenen, maar het is ook zeer goed mogelijk om de drie klassen tezamen te laten spelen of 2 klassen tezamen (bijvoorbeeld 2 + 3 of 3 + 1 of 1 + 2). In Rinkrank spelen de 1e, 2e en 3e klas elk jaar 1 toneelstuk samen, meestal ter afsluiting van het schooljaar op de laatste schooldag.

Lezen: de tweede taalperiode in oktober kan zeer goed tezamen met de tweede klas gegeven worden. Elke tweedeklasser krijgt dan gezelschap van een eersteklasser als een vorm van tutorlezen.

 

combinatieklas 1-2

Muzikale opmaat: 1 en 2 samen

Mondelinge herhaling: 1 en 2 samen

Instructie: eerst de 1e klas, dan de 2e klas. Soms is het zinvol om de 2e klas mee te laten luisteren naar de instructie (in taal- en rekenperiodes). In periodes w.o. werken 1e en 2e klas altijd samen.

Frans en Engels: 1e en 2e klas samen.

Cultuurbeschouwing.

De klassen 1 en 2 krijgen dezelfde verhalen. De verhalen worden gespreid over twee schooljaren.

Welke verhalen? Sprookjes (Grimm, Andersen e.a.), fabels, heiligenlegendes (alleen van heiligen die een sterke impact hebben gehad op de volkscultuur).

L.O. en zwemmen: 1 en 2 samen.

 

--------------------------------

 

 

DAGSCHEMA voor een 1e klas (afzonderlijk, niet in een combinatieklas)

 

TAALPERIODE

1. Zang en instrumentaal spel: 25 minuten

 

2. Mondelinge herhaling: taal: alfabet, namen van de seizoenen, de maanden, de dagen (ook in andere talen dan het Nederlands); gedichten in verschillende versvoeten; maal- en deeltafels, hoofdrekenen plus, min, maal, gedeeld, getalbegrip, getalkennis, getallenlijn, tijd (kloklezen); inhouden w.o.; Frans; Engels. Deze mondelinge herhaling bevat voldoende bewegingselementen. 10 à 15 minuten.

 

3. Vormtekenen: 2 of 3 vormtekeningen als voorbereiding op het leren schrijven. 10 à 15 minuten.

Niet iedereen krijgt deze tekeningen af binnen de vastgestelde tijd. De tekeningen worden later afgewerkt na de instructie, tijdens de individuele verwerking.

 

4. Periodeles: 15 à 20 minuten. In w.o.-periodes zal de instructie langer duren.

4.1. analyseoefeningen: gekende zinnen lezen, woorden afzonderen. Met willekeurig gekozen woorden nieuwe zinnen maken (= synthese). Individueel en klassikaal oefenen.

4.2. syntheseoefeningen: gekende letters verbinden tot woorden. Bij voorkeur woorden vormen met twee lettergrepen, waarbij de tweede lettergreep meestal zal bestaan uit -en of -er of -e.

4.3. De nieuwe letter. Namen en woorden zoeken die met die letter beginnen. Woorden met die letter op het eind. Woorden met die letter binnen het woord.

4.4. Letterdictee (bepaalde letters in een woord herkennen en opschrijven). Uit het letterdictee ontstaan woorden die de kinderen trachten te lezen (= combinatie van auditieve ananlyse en visuele synthese).

 

5. Korte terugblik op de letter of de leerstof van de vorige dag: 5 minuten.

 

6. Verwerking nieuwe leerstof en herhalingsopgaven: 35 à 40 minuten.

De kinderen nemen letterbeeld en letters over van het bord. Ze nemen ook de namen en woorden over die bij de letter horen.

Als ze klaar zijn, maken ze de vormtekening af en krijgen indien nodig nieuwe vormtekeningen. Of ze maken rekesommen of oefenen rekensommen op de computer.

 

7. recapitulatie: wat was er nieuw vandaag: 5 minuten

 

8. vooruitblik: thema (onderwerp) van de nieuwe leerstof voor de volgende dag. 5 minuten.

 

Pauze

 

9. vakles (Frans, Engels) of voortzetting van de periodeles (in w.o.-periodes) of een kunstzinnig vak of een bewegingsvak.

 

10. vakles cultuurbeschouwing of een ander vak.

 

Middagpauze

 

11. Kunstzinnige vakken of bewegingsvakken: schilderen, vormtekenen, tekenen, muziek, boetseren, lichamelijke opvoeding, dans, zwemmen.

 

 

 

REKENPERIODE

1. Zang en instrumentaal spel: 25 minuten

 

2. Mondelinge herhaling: taal: alfabet, namen van de seizoenen, de maanden, de dagen (ook in andere talen dan het Nederlands); gedichten in verschillende versvoeten; maal- en deeltafels, hoofdrekenen plus, min, maal, gedeeld, getalbegrip, getalkennis, getallenlijn, tijd (kloklezen); inhouden w.o.; Frans; Engels. Deze mondelinge herhaling bevat voldoende bewegingselementen. 10 à 15 minuten.

 

3. Vormtekenen: 2 of 3 vormtekeningen als voorbereiding op het leren schrijven. 10 à 15 minuten.

Niet iedereen krijgt deze tekeningen af binnen de vastgestelde tijd. De tekeningen worden later afgewerkt na de instructie, tijdens de individuele verwerking.

 

4. Periodeles: 15 à 20 minuten. In w.o.-periodes zal de instructie langer duren.

4.1. analyseoefeningen: gekende zinnen lezen, woorden afzonderen. Met willekeurig gekozen woorden nieuwe zinnen maken (= synthese). Individueel en klassikaal oefenen.

4.2. syntheseoefeningen: gekende letters verbinden tot woorden. Bij voorkeur woorden vormen met twee lettergrepen, waarbij de tweede lettergreep meestal zal bestaan uit -en of -er of -e.

4.3. De nieuwe letter. Namen en woorden zoeken die met die letter beginnen. Woorden met die letter op het eind. Woorden met die letter binnen het woord.

4.4. Letterdictee (bepaalde letters in een woord herkennen en opschrijven). Uit het letterdictee ontstaan woorden die de kinderen trachten te lezen (= combinatie van auditieve ananlyse en visuele synthese).

 

5. Korte terugblik op het cijfer of de leerstof van de vorige dag: 5 minuten.

 

6. Verwerking nieuwe leerstof en herhalingsopgaven: 35 à 40 minuten.

De kinderen nemen cijferbeeld en sommen over van het bord.

Als ze klaar zijn, maken ze de vormtekening af en krijgen indien nodig nieuwe vormtekeningen of rekensommen. Of ze oefenen rekensommen op de computer.

 

7. recapitulatie: wat was er nieuw vandaag: 5 minuten

 

8. vooruitblik: thema (onderwerp) van de nieuwe leerstof voor de volgende dag. 5 minuten.

 

Pauze

 

9. vakles (Frans, Engels) of voortzetting van de periodeles (in w.o.-periodes) of een kunstzinnig vak of een bewegingsvak.

 

10. vakles cultuurbeschouwing of een ander vak.

 

Middagpauze

 

11. Kunstzinnige vakken of bewegingsvakken: schilderen, vormtekenen, tekenen, muziek, boetseren, lichamelijke opvoeding, dans, zwemmen.

 

--------------------------------

 

DAGSCHEMA voor een 1e klas als deel van een combinatieklas 1-2-3

1. Zang en instrumentaal spel: 25 minuten

2. Mondelinge herhaling van de leerstof van klassen 1, 2 en 3: taal: woordsoorten; spelling; maal- en deeltafels, rij van vierkanstgetallen; hoofdrekenen plus, min, maal, gedeeld; tijd (kloklezen); inhouden w.o.; Frans; Engels. Deze mondelinge herhaling bevat voldoende bewegingselementen. 10 à 15 minuten.

3. Korte uitleg over de schriftelijke herhaling in klassen 2 en 3: drie opgaven om te maken in de loop van de dag (de eerste klas luistert mee): 5 minuten.

4. Instructie van de periodeles: uitleg over de nieuwe leerstof met enkele gezamenlijke oefeningen en korte herhaling van de leerstof van de vorige dag.

Eerst de instructie voor klas 1. Klassen 2 en 3 werken intussen aan de schriftelijke herhalingsoefeningen, of maken herhalingsopdrachten aan de computer, of werken aan de nieuwe opgaven voor zover zij dat kunnen. 10 à 15 minuten. In w.o.-periodes zal de instructie langer duren, maar gebeurt met 2 klassen tezamen.

Dan instructie voor de 2e klas. 10 à 15 minuten. 1e en 3e klas werken aan hun opgaven. 10 à 15 minuten. In w.o.-periodes zal de instructie langer duren, maar gebeurt met 2 klassen tezamen.

Ten slotte de instructie voor de 3e klas terwijl klassen 1 en 2 aan hun opgaven werken. 10 à 15 minuten. In w.o.-periodes zal de instructie langer duren, maar gebeurt met 2 klassen tezamen.

5. verwerking nieuwe leerstof en herhalingsopgaven: in totaal 50 minuten (inbegrepen de tijd die tijdens de instructie van de andere klassen benut wordt voor het eigen werk).

Tijdens een gedeelte van de verwerking krijgt de 1e klas vormtekenen in voorbereiding op het schrijven (10 à 15 minuten)

7. recapitulatie: wat was er nieuw vandaag (voor de drie klassen samen): 5 minuten

8. vooruitblik: thema (onderwerp) van de nieuwe leerstof voor de volgende dag (voor de drie klassen samen). 5 minuten.

Pauze

9. vakles (Frans, Engels) of voortzetting van de periodeles (in w.o.-periodes) of een kunstzinnig vak of een bewegingsvak. De drie klassen samen.

10. vakles cultuurbeschouwing of een ander vak. Drie klassen samen of 2 klassen samen.

Middagpauze

11. Kunstzinnige vakken of bewegingsvakken: schilderen, vormtekenen, tekenen, muziek, boetseren, lichamelijke opvoeding, dans, zwemmen.

Schilderen, vormtekenen en muziek gebeurt in elke klas apart. Eén van de 3e leerkrachten specialiseert zich in een van de drie vakken en geeft die periodegewijs in de verschillende klassen. Ook leerkrachten van buiten de school kunnen hier aan bod komen.

Lichamelijke opvoeding, zwemmen: normaliter met de drie klassen tezamen. Is het aantal leerlingen te groot, dan kunnen deze zaken ook afzonderlijk per klas (leeftijdsgroep) gegeven worden door vakleerkrachten.

 

--------------------------------------

 

Info ter ondersteuning van leerkrachten in de eerste klas:

 

De leerkracht en de klasorganisatie

 

Taal: gebruik een volwassen taal, met zo min mogelijk verkleinwoorden. Spreek de kinderen aan als ‘grote kinderen’. Kinderen van de eerste klas voelen zich ook groot. Doe niet kinderachtig, je bent zelfs volwassen en dat moet ook uit je taal en je houding spreken.

 

Leg humor in je taal en je handelen. Daag de klas (als groep) uit. Plaag ze (als groep) af en toe.

 

Begin steeds direct met je uitleg of je verhaal. Wacht niet tot de kinderen stil zijn, maar begin zacht te spreken. Zorg dat de kinderen niet moeten wachten. Kinderen komen naar school om te leren, niet om te wachten. Zodra je begint, wordt het vanzelf stil.

 

Zorg dat de kinderen zo snel mogelijk zelfstandig kunnen werken, zodat je als leerkracht de handen vrij hebt om kinderen te helpen. De eerste weken hou je zelf alles strikt onder controle, maar al snel stuur je hen door naar andere kinderen.

 

Moet een kind naar de wc? Maak de afspraak met de klas dat dit niet aan jou gevraagd hoeft te worden. Jij moet je kunnen concentreren op de hulp aan kinderen, dus zo weinig mogelijk storing toelaten.

 

Maak de instructie bij het begin van de periodeles zo kort mogelijk. Dan heb je voldoende tijd om kinderen individueel te helpen of om gedifferentieerd te werken. Jij beslist wie je helpt, daardoor vermijd je dat er lange wachtrijen bij je ontstaan. Wie iets niet weet of iets moet vragen kan bij andere kinderen terecht. Zorg dat er nooit meer dan 2 of 3 kinderen bij je staan aan te schuiven.

 

De vaklessen Frans en Engels deel je zo in dat er een grote afwisseling in de les is van liederen, gedichten, versjes, tongbrekers e.a. Oefen in die lessen ook tellen en spreken (vragen en antwoorden uit het hoofd leren). Werk toe naar een hoogtepunt (de eigenlijke les, die altijd over woordenschat gaat). Sluit af met enkele gekende liederen.

 

Vormtekenen bestaat uit twee delen.

Deel 1: vormtekenen dat voorbereidt op het gebonden schrift. Dagelijks 3 oefeningen in de periodeles.

 

Deel 2: Vormtekenen als tekenles. Bij voorkeur 1x per week in de namiddag. Hier werk je rond symmetrie en spiegeling. Korte instructie (nooit de volledige tekening op het bord zetten, slechts de linker- of de rechterzijde of de boven- of onderkant en niet in kleur); stevige klassikale inoefening met veel beweging.

Daarna kladversies laten maken en beoordelen. Pas als de kladversie goed is, toelating geven om op het tekenblad te beginnen. Zwakke kinderen helpen door de tekening heel zacht in schetspotlood op het blad te zetten.

Daarna ruim de tijd – ongeveer een halve lestijd - om de opgave in het goed te maken en mooi af te werken. Let op dat er niet overdadig versierd wordt. In een afgewerkte vormtekening moet de vorm nog goed zichtbaar zijn en de achtergrond blijft best de kleur van het papier (wit dus – meestal). De tekening moet contrasteren met de achtergrond. Dit geldt ook voor het schrijven later: steeds op het witte blad schrijven en zorgen dat er geen achtergrondkleur door de tekst loopt.

 

Als je iets voordoet voor de klas, doe dit dan op de normale manier voor en verwissel niet rechts met links. Je staat voor de klas met je gezicht naar de kinderen. Zeg je dan bijvoorbeeld: zet één stap naar rechts, dan zet jij een stap naar rechts. Je spiegelt dus niet om het de kinderen gemakkelijker te maken. Dit kan voor sommige kinderen verwarrend zijn, maar het maakt hen wel wakker en oplettend.

 

Zet een klassikale bewegingsopdracht (ritmische oefening, kinderdans, enz.) in gang door voor- en mee te doen, maar trek je dan zo snel mogelijk terug. Zo kun je de kinderen beter observeren en worden de kinderen zelfstandiger. Bij de afwerking en bij een optreden doe je zelf nooit mee.

 

Dagindeling

In de eerste klas is het zeer belangrijk dat elke dag volgens hetzelfde schema verloopt.

De opmaat met de ritmische oefeningen en de mondelinge herhaling heeft altijd dezelfde structuur.

De periodeles begint altijd op hetzelfde moment.

Zorg dat er geen vaklessen gegeven worden op de uren die voor het periodeonderwijs bestemd zijn.

Dag in dag uit strikt dezelfde dagopbouw hanteren:

Opmaat-periodeles-pauze-vaklessen-lunch-middagpauze enz.….

 

 

De opmaat

Begin stipt op tijd met de spreuk (als je een spreuk zegt) of met de muziek. Vanaf de eerste dag in de eerste klas is stiptheid een belangrijk element in de opvoeding. Die stiptheid moet je niet afdwingen met woorden, maar door zelf stipt te zijn.

 

Een goede opmaat bestaat uit:

Zang en instrumentaal spel.

Ritmische oefeningen.

Mondelinge herhaling.

 

Zang en instrumentaal spel:

Begin na de spreuk onmiddellijk te zingen.

Zing eerst enkele gekende liederen (de eerste weken kies je liederen uit de kleuterklas en het komende schoolfeest).

Laat tussen de liederen geen tijdsinterval ontstaan. Is een lied uitgezongen, begin dan onmiddellijk aan een nieuw lied.

Kondig liederen niet aan, maar begin direct met zingen.

Elk lied mag gerust drie tot vier en zelfs meer keren onmiddellijk na elkaar gezongen worden. Je kunt na een paar herhalingen variëren in snelheid, neuriën, op een lettergreep zingen (noe-noe of ja-ja enz.). Ga ervan uit dat kinderen je direct nabootsen. Dus niet aankondigen, maar gewoon doen.

Zing steeds in de juiste toonhoogte, en liefst hoog. Voor liederen die laag genoteerd zijn kies je een hogere toonsoort en die hou je aan.

Nieuwe liederen zing je gewoon voor. Is het lied uit, herbegin je onmiddellijk en lokt de kinderen via gebaren en houding uit om mee te zingen. Daarna weer direct herbeginnen en laten meezingen. Desnoods nog een vierde of vijfde keer het lied zingen. Aansluitend daarop een gekend lied zingen en herhalen.

Zang wissel je af met instrumentaal spel of laat je nu en dan op een instrument begeleiden (blokfluit, slaginstrumenten).

 

Vanaf de eerste dag de blokfluit gebruiken. Ook al laat je dan alleen maar heel kort één toon spelen. Bouw het gebruik van de blokfluit goed op. Zie: www.cielen.eu/muziekpraktijk-in-de-eerste-klas.pdf

(nog op site zetten)

http://www.cielen.eu/muziekpraktijk-in-de-lagere-school.pdf

en

http://www.cielen.eu/muziek-blokfluit-leren-spelen.pdf

(nog op de site zetten).

(Mochten bepaalde linken niet meer werken, tik dan ‘muziekpraktijk’ of ‘blokfluit’ in de zoekfunctie op mijn site. De inhoud van de bestanden staat dan waarschijnlijk op een andere plaats).

http://www.cielen.eu/muziekpraktijk%20in%20de%20eerste%20klas.htm (deze link zal binnenkort vervallen en vervangen worden door de eerste link).

 

Orff-instrumentarium – vooral klokkenspel - kan vanaf het begin ook aan bod komen in de opmaat. Aanvankelijk 1 toon en heel geleidelijk uitbreiden. Klokkenspel gebruiken als begeleiding bij de zang: op het klokkenspel 1 toon spelen die als ostinato bij het lied gespeeld wordt. Gebruik de grondtoon van het lied hiervoor. Later kunnen het twee tonen zijn die tegelijk gespeeld worden (interval: grondtoon -kwint bijvoorbeeld).

 

Slaginstrumenten – handtrom, woodblock, pauk enz. – kunnen ook vanaf de eerste schooldagen gebruikt worden tijdens het zingen.

 

Ritmische oefeningen: taal en rekenen

Zonder onderbreking gaat de muzikale opmaat over in ritmische oefening. Dit kun je doen door onmiddellijk na het laatste lied een gedicht of versje te zeggen. Na het gedicht één keer gezegd te hebben, herhaal je dit met ondersteuning van handen en voeten die de maat aangeven.

In de plaats van een gedicht kun je ook beginnen met het alfabet te zeggen of met een teloefening (bijvoorbeeld tellen van 1 tot 10 of meer – heen en terug). Ook hier: eerst gewoon zeggen of tellen en onmiddellijk daarna met ritmische ondersteuning en klappen of stappen.

Oefeningen in verband met taal (alfabet, versvoeten, klinkergedicht, medeklinkeroefening, versjes, enz.) wissel je af met teloefeningen en oefeningen over rekenen. Dit kunnen zijn:

Tellen tot 10 en verder – heen en terug

Tellen in een andere taal (Frans, Engels, Spaans, Duits, Italiaans enz.)

Getallenrij van 2, van 3 en volgende

Optelsommen zeggen en stappen: één plus één is twee, twee plus een is drie enz. De reeks stilaan opbouwen. In het begin tot 5 en dan stilaan verder gaan.

Aftreksommen zeggen en stappen. Ook hier stilaan opbouwen.

Tafels van vermenigvuldiging en deling tot het getal 24 (of iets verder); aanvankelijk maar tot 10 of 12.

 

De ritmische oefeningen mogen regelmatig afgewisseld worden met een lied.

Tussendoor ook herhaling van teksten en liederen uit de lessen Frans en Engels.

 

W.O. In de eerste klas is er nog weinig echte leerstof in verband met W.O. Maar bijvoorbeeld de maanden van het jaar, de dagen van de week, de seizoenen, de feesten, de verjaardagen enz. kunnen geoefend worden.

 

In taalperiode worden er in de opmaat ook rekenoefeningen voorzien. In rekenperiodes voorzie je ook taaloefeningen. De ritmische oefeningen hebben dag in dag uit, zonder onderbreking, een gelijkaardig schema en zijn evenwichtig verdeeld over taal- en rekenoefeningen.

 

Mondelinge herhaling taal en rekenen

In de ritmische oefeningen zit al veel herhaling over taal en rekenen. In de mondelinge herhaling gaat het over de leerstof die eerder aan bod is gekomen en nu ingeoefend wordt. Dus zelfs in het 3e trimester herhaal je af en toe dingen uit september of december of maart. Ook al lijkt dat niet nodig, toch is dit een hulp voor zwakke kinderen.

 

 

Rekenen (zowel in rekenperiodes als in taalperiodes):

Oefenen van de sommen in de vier hoofdbewerkingen. Dit kan met telmateriaal gebeuren of gewoon met de potloden en krijtjes. Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen komen door elkaar aan bod.

Hoofdrekenen:

Met korte rekenverhalen. De kinderen komen het antwoord in het oor van de leerkracht of van één of twee kinderen die daarvoor aangesteld zijn, fluisteren. Dit is daardoor gecombineerd met beweging. Maak de afstand groot genoeg zodat de kinderen kunnen lopen. Een zaal is daarvoor het meest geschikt.

Met korte rekenverhalen of gewone sommen. De kinderen schrijven de uitkomst op een blad (kladblaadje) en laten dit aan de leerkracht of beter nog aan één of twee kinderen zien. Ook dit brengt de kinderen in beweging op voorwaarde dat de afstand tussen de kinderen en de controleurs groot genoeg is. Dit kan dus in de zaal.

 

Taal (zowel in taal- als rekenperiodes):

Analyseoefening aan het bord. Uit gekende teksten woorden kiezen en er nieuwe zinnen mee vormen.

Syntheseoefening aan bord. Met de reeds aangebrachte letters woorden maken. De woorden bij voorkeur in het meervoud laten maken.

Auditieve analyse gecombineerd met visuele syntheseoefening op een blaadje: Letters uit woorden halen en daarmee nieuwe woorden vormen. Enkele controleurs aanstellen die nakijken. Ook hier gecombineerd met beweging (lopen).

 

De periodeles

De periodeles sluit onmiddellijk aan bij de herhaling.

Elke periodeles verloopt volgens een vast schema:

1. Instructie (nieuwe leerstof) met klassikale inoefening. 15 à 20 minuten.

2. Herhaling van de vorige dag.

Het bord van de vorige dag moet er dus nog zijn. Daarom is het zinvol om het bord in twee te verdelen. Het werk van de vorige dag wordt pas afgeveegd na deze herhaling, terwijl de kinderen zelfstandig werken. Deze herhaling duurt slechts enkele minuten (maximaal 5 minuten).

3. Eigen werk (zelfstandige verwerking). 25 à 30 minuten.

Dit onderdeel van de periodeles vormt de hoofdbrok. Hierin maken de kinderen hun werk, dat ze na afloop van de les ook afgeven, ook als het niet af is; de leerkracht beslist op elk moment of een kind voldoende heeft gewerkt of niet. De kinderen krijgen geen huiswerk.

Jij begint onmiddellijk met hulp (en desnoods andere opgaven) te bieden aan zwakke rekenaars. Dit is jouw belangrijkste pedagogische moment van de dag.

Kinderen mogen niet bij jou komen, maar vragen hulp en raad aan anderen.

Dan het bord van de vorige dag afvegen (liefst op een originele manier).

Dan laat je kinderen een voor een bij jou komen en bekijkt hun werk. Geef advies. Hou het steeds kort. Laat een kind desnoods een beetje later nog eens terugkomen. Meestal lukt het niet om elk kind elke dag even tot bij jou te laten komen. Dat hoeft ook niet, maar zorg toch dat je elk kind minstens tweemaal per week apart hebt genomen. Noteer steeds wat opvalt, zowel in positieve zin als in negatieve zin. Zeer zwakke kinderen help je elke dag.

4. Vormtekenen als voorbereiding op het gebonden schrift.

Eerst klassikaal oefenen

Dan ieder apart het blad maken volgens de richtlijnen: elke vorm tot halverwege het blad maken, dan laten zien aan de leerkracht en daarna afwerken.

De bladen hoeven niet per se afgewerkt te worden. Ze kunnen later op elk vrij moment weer opgenomen worden en afgewerkt in de mate van het mogelijke. Wie wil mag het blad thuis afwerken.

Mijn teksten met voorbeelden over het vormtekenen als voorbereiding op het gebonden schrift ben ik aan het herwerken en verschijnen nog vóór de aanvang van het nieuwe schooljaar op mijn site.

5. Terugblik en vooruitblik (5 minuten)

Wat hebben we vandaag geleerd? Pik er enkele zaken uit. Maak nog even 1 of 2 opgaven klassikaal. Verlies geen tijd met het klassikaal verbeteren, daar heeft niemand iets aan.

Vertel wat er de volgende dag aan bod zal komen.

 

 

Taalperiodes

1e trimester aanbrengen van letterbeelden. Probeer hiermee klaar te zijn tegen de kerstvakantie.

Eerst de 5 klinkers met analyseoefeningen. De verschillende uitspraakmogelijkheden oefenen: lang (vrij) en kort (gedekt) en dof bij de e. De oe, de ie en de eu mogen later tussen de medeklinkers door toegevoegd worden aan de rij van de klinkers (maar er niet te lang mee wachten).

Dan de medeklinkers (beginnen met de medeklinkers die kunnen aangehouden worden bij het lezen (f, ch, g, h, j, l, m, n, r, s, v, w, z). De volgorde speelt geen rol. Hierbij ook analyseoefeningen en syntheseoefeningen. Tussendoor ook de plofklanken (b, d, k, p, t). De c (zonder de h erbij), de q (met u erbij), de x en de y komen als laatste aan bod en mogen desnoods in één les gebracht worden. Je hebt 30 letters en lettercombinaties voor het eerste trimester, dat zijn twee periodes van elk 15 dagen.

Sommigen zeggen dat het niet nodig is om elke letter (of lettercombinatie) met een beeld aan te brengen, omdat je ook kunt vertrekken van een beweging of iets anders. Dat is ook zo, maar het is wel zinvol om aan elke letter (en lettercombinatie) een aparte les te besteden. Dat is vooral voor zwakke leerlingen een noodzaak, omdat je er later op terug kunt komen.

Moeten het kapitalen zijn? Niet per se. Maar de kapitalen hebben wel het meest beeldkracht.

Bij het aanbrengen van de letters breng je ook de 4 schrijfwijzen aan, die de kinderen mogen overtekenen.

Voor de syntheseoefeningen op het bord gebruik je kapitalen, kleine drukletters en gebonden schrift naast elkaar.

Voor de lees- en analyseoefeningen op het bord gebruik je de kleine drukletters. De kapitalen gebruik je daarbij waar ze nodig zijn: bij het begin van een zin en bij eigennamen.

 

2e trimester aanbrengen van tweeklanken en klanken die met twee verschillende letters geschreven worden: eu (mag ook in het eerste trimester), ui, ei, ij, eeuw, ieuw, aai, ai, oei, ooi, oi, au, ou, nk en ng. De ch mag véél vroeger aan bod komen, tussen de andere medeklinkers.

 

Na het aanbrengen van de verschillende letters en lettercombinaties begint de periodeles met korte schrijfopdrachten (in de loop van het 2e trimester of vanaf het 3e trimester), op voorwaarde dat de kinderen het gebonden schrift kennen. Zolang de kinderen het lopend schrift niet beheersen, schrijven ze zo weinig mogelijk op, want veel schrijven met kapitalen (en erger nog met kleine drukletters) levert een slecht handschrift op. De kleine drukletters laat je nooit schrijven, want die veroorzaken eindeloze problemen bij het gebonden schrift.

Op kladblaadjes hoeven geen lijnen te staan. Schrijven de kinderen eigen tekstjes, dan geef je best gelijnd papier of je legt een gelijnd blad onder het schrijfblad. Het is niet zinvol om op ongelijnd papier te schrijven als de kinderen het gebonden schrift (lopend schrift) gebruiken.

 

Zet tussen de taalopgaven ook steeds enkele rekenopgaven.

 

Rekenperiodes

Dag na dag komt er een getal bij. Je begint met 1, en gaat zo systematisch door tot 5.

De Romeinse cijfers staan naast de Arabische cijfers. De Romeinse cijfers verwijzen naar de vingers. De Arabische cijfers kun je met beelden verbinden (ik heb een reeks van beelden die je kunt vragen als je wil).

Van elk cijfer wordt de juiste schrijfwijze intensief geoefend. Dit is belangrijk, want vele kinderen vormen de cijfers op een foutieve wijze.

Bij elk nieuw getal komen direct oefeningen over optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen (zoals R. St. het heeft aangeraden). Deze oefeningen maak je eerst klassikaal met materialen. Daarna veeg je de uitkomsten weg en laat de kinderen de oefeningen maken op hun blad (bij of onder de tekeningen van de cijfers). Snelle rekenaars geef je van in het begin extra opgaven op een gekopieerd blad of laat je op de computer oefenen.

Na het getal 5 besteed je een week aan de bewerkingstekens. In de eerste klas zijn dit: +, -, x, : en =. Later (ik raad aan vanaf de 3e klas) komen daar > en < bij.

Na de week over de bewerkingstekens ga je verder tot 10.

Met elke dag rekenoefeningen in de vier hoofdbewerkingen, alles door elkaar en met veel herhaling. Ben je bijvoorbeeld aan het getal 7, dan geef je toch nog rekenopgaven die tot 5 of 3 of 6 gaan.

Zwakke rekenaars geef je lange tijd opgaven tot 5 (die geef je apart na de instructie).

In een volgende periode ga je verder tot 15. Met zeer veel oefeningen, vooral optellen en aftrekken (maar verwaarloos vermenigvuldiging en deling niet).

In het 1e trimester ga je tot 10 of verder als het kan. Het getal 10 op zich is in de eerste klas niet zo belangrijk, in elk geval minder belangrijk dan men in het reguliere onderwijs laat uitschijnen. Het getal 12 is een meer kosmisch getal, maar is vooral belangrijk vanwege zijn groter aantal delers dan het getal 10. Voor de pedagogie speelt dit voorlopig geen rol. Je mag dus zonder problemen tot 12 gaan of verder. Wat je wél moet doen en wat zéér belangrijk is voor het goed leren rekenen: geef veel optel- en aftreksommen die het getal 10 overschrijden. Voorbeelden: 8 + 5 =; 12 – 7 = enz. Je moet geen aandacht besteden aan de “brug over de 10”, aangezien ook de schriftelijke oefeningen toch nog steeds hoofdrekenen zijn. De brug over 10 wordt pas belangrijk bij het cijferen (vanaf eind 2e klas of begin 3e klas) en is veel minder moeilijk dan men doorgaans beweert. Daar intensief op oefenen in de 1e klas is dan ook zinloos.

In het 2e trimester breid je geleidelijk de getallen uit tot 20 voor de getallenkennis en de schriftelijke opgaven.

Nu is het van het grootste belang om alle + en -sommen tot 20 goed uit het hoofd te leren. Je oefent die op dezelfde manier als de getallenrijen en de tafels van vermenigvuldiging en deling, met klappen en stappen en bewegingen.

 

Tafels van vermenigvuldiging en deling

Je start in de eerste week van het schooljaar in de ritmische oefeningen met de getallenrij tot 10 of 12 of verder.

Je voegt geleidelijk andere getallenrijen toe: die van 2 (2-4-6-…) tot 20 of 24. Die van 3 (3-6-9 …) tot 24. Die van 4 tot 24, die van 5 tot 25, die van 6 tot 24, die van 7 tot 1, die van 8 tot 24, die van 9 tot 27, die van 10 tot 100. Die van 11 mag je ook toevoegen, zeker tot 99, want die is leuk om op te zeggen.

Is de getallenrij van 2 goed gekend, dan begin je met de maal- en de deeltafel van 2. Geleidelijk breid je uit met de maal- en deeltafel van 3 enz. Tot ± aan de opgegeven eindgetallen.

Besteed veel meer tijd aan het oefenen van de deeltafels dan aan de maaltafels. De deeltafels zijn voor het rekenen belangrijker dan de maaltafels.

 

Als kinderen zelfstandig werken en telmateriaal nodig hebben, zorg je ervoor dat ze dit telmateriaal op een plek gebruiken waar ze niet kunnen noteren. Hoe verder weg het telmateriaal, hoe beter voor het geheugen en het rekenen. Hoe beter ook voor de gezondheid van de kinderen, want zo hebben ze de nodige beweging. Zorg wel dat je de kinderen kunt zien.

Bij het klassikaal maken van rekensommen mag het telmateriaal op de tafel van de kinderen liggen.

 

Zet tussen de rekensommen ook taaloefeningen als herhaling. Maar je kunt ook zulke opgaven voorzien als in dit voorbeeld (je geeft geen uitleg, maar laat de kinderen zelf zoeken hoe ze dit oplossen):

Bomen – 2 = …. De oplossing kan zijn: 3 (5 letters – 2 = 3)

Maar er zijn nog andere oplossingen mogelijk. Bijvoorbeeld:

Bomen – 2 = bom of men of bmn of ome of ben of mon of nom of …. De kinderen kunnen verschillende oplossingen bedenken.

Je kunt ook dit doen: kippen : 2 = …

Het antwoord is kip of 3. En je laat het woord nu ook effectief verdelen in 2, zo krijg je: kip – pen. Hiermee leer je ze woorden splitsen en ontdekken ze ook dat de medeklinkers gesplitst worden. Onbewust leren ze dus ook spelling.

Zo kun je ook lange woorden laten delen: verlangen : 3 = 3 ofwel ver-lan-gen.

Zo ook: man x 2 = ….

Dat kan zijn: manman (= 2 x man), mannen (= 2x 6 letters), 6 (= 2x3 letters), manken (= 2x3 letters die een nieuw woord vormen).

Of dit: koe + koek = koekoek of 3 + 4 = 7. Je laat zo samenstellingen maken.

Of je vraagt: mama + papa + kind = … (4 + 4 + 4 = 12 of 3 x 4 = 12). Optellen met 3 getallen of tafel van 4.

 

Wereldoriëntatie (w.o.)

Meestal zijn dit in de eerste klas nogal sprookjesachtige periodes, maar ik raad je ten zeerste aan ook voldoende aandacht te besteden aan tijd en ruimte, het weer en andere elementen uit de natuur en de omgeving.

Denk aan:

Dagen van de week (opsommen heen en terug), typische geplogenheden op elke dag (bv. maandag = zwemmen, dinsdag = ….)

Maanden van het jaar. Wie verjaart in welke maand? Welk feest valt er in een bepaalde maand?

De vier seizoenen. Wie verjaart er in de lente? In de winter? In de zomer, in de herfst? (lentekinderen, zomerkinderen ….)Welke feesten zijn er in de lente, de zomer enz.? Hoe zien de bomen eruit in de verschillende seizoenen? Wat doe je thuis in de verschillende seizoenen (vakantie, uitstappen, gezelschapsspellen, schaatsen, fietsen…)

De dagindeling: ochtend, middag, avond, nacht, voormiddag, namiddag…

De klok. De uren en de halve uren intensief oefenen.

 

W.o.-periodes zijn vooral taalperiodes. Over de seizoenen enz. heb ik enkele gedichten gemaakt die je ritmisch kunt gebruiken.

http://www.cielen.eu/gedichten%20de%20vier%20seizoenen%20luc%20cielen.htm

en

http://www.cielen.eu/gedichten%20de%20zon%20en%20de%20vier%20windstreken%20luc%20cielen.htm

(Let op: de bovenstaande linken zullen binnenkort gewijzigd worden, maar je vindt alles dan nog wel op mijn site in andere bestanden. Met de zoekfunctie op mijn site kun je alles gemakkelijk terugvinden).

Inhoudelijk kunnen lessen w.o. ook over dieren gaan in de eerste klas. Naast het fantasievolle (sprookjes) ook vanuit de waarneming. De kinderen kunnen hier zelf veel aan het woord komen. In het derde trimester kunnen ze ook over dieren schrijven (als ze het gebonden schrift kennen, anders niet).

 

De vaklessen

Vreemde talen Frans en Engels.

Meestal krijgt elke taal 1 of 2 lesuren per week.

Beter is het om gedurende een drietal weken de vreemdetalenlessen te besteden aan één van beide talen. Dus bv. drie weken Frans, drie weken Engels enz.

In plaats van 2 lesuren per week te besteden aan vreemde talen kun je – met beter resultaat overigens – vier keer een halfuur voorzien.

De opbouw van de taallessen kan op deze manier:

http://www.cielen.eu/frans-lesschema-frans-engels-vreemde-talen-30aug2000.pdf

De kinderen in de eerste klas schrijven geen teksten over. Ze kunnen wel kleine tekeningen maken die refereren aan een verhaal of een gedeelte van een verhaal. Op die manier kunnen ze het verhaal in de loop der lessen reconstrueren.

 

Handwerk, lichamelijke opvoeding, zwemmen en muziek zullen waarschijnlijk door vakleerkrachten gegeven worden. Het is wel zinvol om regelmatig deze lessen bij te wonen en de kinderen te observeren.

 

Het schrijfgerief

Bij aanbrengen van de letters mogen dunne kleurpotloden (nooit dikke) gebruikt worden. Dikke potloden bevorderen niet de goede pengreep (driepuntsgreep).

Bij schriftelijke analyseoefeningen: liefst schetspotlood (HB).

Bij vormtekenen als voorbereiding op het gebonden schrift: eerst kleurpotloden (op de bladen met 3 balken), dan overgang van kleur- naar schetspotlood (op de bladen met 6 en 9 balken) en ten slotte de vulpen. Vóór de kinderen met vulpen mogen schrijven moeten ze eerst zéér zacht met het schetspotlood kunnen schrijven. Dit is individueel vast te stellen en de vulpen wordt dan ook individueel gegeven op verschillende tijdstippen.

Waskrijtjes alleen voor grote tekeningen (A4-formaat); kleine tekeningen (als illustratie bij rekenen of taal of W.O.): liefst dun kleurpotlood.

Papier: A4-formaat van minstens 120 g.

Voor het vormtekenen als voorbereiding op het gebonden schrift en voor het oefenen van het gebonden schrift: glad A4-papier van minstens 120 g.

Voor de schrijfopdrachten (opstel): gelijnd papier met normale spatiëring.

 

Het huiswerk

In de eerste klas krijgen de kinderen geen huiswerk.

Wil een kind graag werk mee naar huis nemen, dan mag dat. Wil het kind thuis eraan verder werken, dan is dat oké, maar wees zeer kritisch wat de afwerking betreft. Elk blad moet mooi zijn.

Zorg dat er niet overdreven versierd wordt. Bij het bekijken van het blad moet de aandacht direct naar de inhoud gaan.

Ik raad aan om aan de ouders te vragen om van bij de aanvang van de eerste klas dagelijks een kwartier (minstens) tot een halfuur (maximum) thuis te besteden aan “schoolwerk”. Dat wil zeggen: het kind even tot rust laten komen na het spelen en vóór het avondeten (of vlak na het avondeten) met iets dat met school te maken heeft. Dat kan zijn: aan een tekening werken, iets lezen, in een boekje kijken, gebonden schrift afwerken enz.

 

Namiddagen

Ook de namiddaglessen beginnen stipt en eindigen stipt.

Bij mooi weer kan het zinvol zijn om met de kinderen naar buiten te gaan. Als er ’s namiddags lessen gepland zijn onder leiding van een vakleerkracht mag je dat niet weerhouden om naar buiten te gaan.

Neem steeds een EHBO-koffertje mee.

 

Beoordeling van het werk

Het kunstzinnige heeft altijd voorrang op het technische en het theoretische.

1. Bij beoordeling van een werk geef je altijd eerst commentaar op de schoonheid en op de creativiteit. Titel, naam, kleurgebruik, illustratie, handschrift enz.

2. Dan kijk je naar de bladschikking. Die moet evenwichtig zijn en de kinderen moeten zelf leren steeds te streven naar een mooie bladschikking. Dus hun eigen werk kritisch bekijken en lege plekken zinvol opvullen.

3. Ten slotte kijk je naar de inhoud: wat is correct, wat is fout, wat is goed? Dus eerst iets positiefs, dan negatiefs (indien nodig), maar eindigen met iets positiefs.

 

Eind eerste klas

Kunnen alle kinderen boekjes in een normaal lettertype lezen.

Kennen en gebruiken de kinderen het gebonden schrift.

Kunnen ze zelfstandig werken.

Kennen ze de plus- en minbewerkingen tot 20 volledig uit het hoofd. (Lukt bij vele scholen nog niet).

Kennen ze de maal- en deeltafels tot +/- 24 of iets meer. (Is hier en daar oké).

 

Hoe bereik je dit?

Door de instructie van elke les kort te houden.

Door voldoende tijd te geven voor de verwerking (zelfstandig werk).

Door in de verwerkingstijd de kinderen te helpen en hun werk aan te passen.

Door zeer veel herhaling in alle mogelijke vormen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kunnen alle kinderen boekjes in een normaal lettertype (kleine drukletters en kapitalen) lezen.

Kennen en gebruiken de kinderen het gebonden schrift (lopend schrift)

Kennen ze de plus- en minbewerkingen tot 20 uit het hoofd.

Kennen ze de maal- en deeltafels tot +/- 24 (of verder) uit het hoofd.

Kunnen ze zelfstandig werken.

 

HOE BEREIK JE DIT?

Door de instructie van elke les kort te houden.

Door voldoende tijd te geven voor de individuele verwerking (zelfstandig werk).

Door in de verwerkingstijd de kinderen individueel te helpen en indien nodig hun opdrachten aan te passen.

Door zeer veel herhaling in alle mogelijke vormen. Een goede leerkracht is een herhalingskunstenaar.

 

 

vernieuwd, maar nog niet volledig afgewerkt:

leren-schrijven-didactiek-2016.pdf

 

 

LEZEN

 

Leren lezen: de eerste schooldag in de eerste klas

 

Leren lezen deel 2 (analyse-synthese) (niet-herziene versie uit 1992): herwerking volgt in de loop van 2016.

 

Leren lezen teksten uit sprookjes: teksten uit sprookjes om te gebruiken bij de visuele analyse en de auditieve synthese

 

Leren lezen en schrijven: Erik Moonen en de alfabetcode: commentaar op het boek 'Dwaalspoor dyslexie. De Alfabetcode'.

 

Leren lezen en schrijven: Erik Moonen. Commentaar in De Morgen 2013-11-06

 

Leesteksten: bewerkingen van sprookjes, fabels en legenden.

 

Leren lezen deel 1 (letterbeelden) (niet-herziene versie uit 1992): dit thema is opnieuw in ontwikkeling. Belangrijke aanpassingen aan deze tekst verschijnen in 2016.

 

Nederlandse taal (en W.O.): fabels (een aantal fabels om als leestekst te gebruiken in eerste en tweede leerjaar)

 

Steiner over leren lezen: uitspraken van Rudolf Steiner over het leren lezen in het eerste leerjaar

 

Welk lettertype aanleren en gebruiken in de eerste klas? PDF.

 

Leren lezen. Commentaar van Ramon de Jonghe op de steinerscholen. PDF.

 

Leren lezen kan perfect zonder letter- en woordkaartjes en andere overbodige leermiddelen. De enige onmisbare didactische hulpmiddelen zijn een bord, wat papier (kladbladen om op te oefenen) en een potlood/vulpen. Hoe minder bijkomende leermiddelen, hoe beter. Leren lezen gaat hand in hand met leren schrijven.

 

Toneel (een aantal toneelstukken geschreven door L.Cielen voor alle klassen van de lagere school)

 

 

VERHALEN

In het eerste leerkaar (groep 3) vertel je hoofdzakelijk sprookjes, en vooral de sprookjes van Grimm. Ook andere sprookjes zijn geschikt: sprookjes van Andersen, Russische sprookjes, Engelse sprookjes e.a. Daarnaast kun je ook fabels en dierenverhalen vertellen.

 

Verhalen van H.C.Andersen geschikt voor de eerste klas (groep 3) om voor te lezen of te vertellen.

 

 

MUZIEK

 

Blokfluit leren spelen. Een bijzonder handige methode om snel en muzikaal blokfluit te leren spelen in de eerste klas.

muziek-blokfluit-leren-spelen.pdf