ram

...als de leerkrachten meer vrijheid en vertrouwen krijgen, dan moeten de eindtermen gereduceerd worden. Leerkrachten zullen dan de kans krijgen om meer eigen lesstof te ontwikkelen... (DM 2015-06-03)

Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 

RAM

 

Nederlands Ram

Latijn Aries

Frans Bélier

Engels Ram

Duits Widder

Italiaans               Ariete

Spaans Carnero

Portugees Carneiro

 

 

Het beeld is afkomstig van de ram, waarvan de vacht werd genoemd: het ‘Gulden Vlies’. Het verhaal dat ermee samenhangt is de aanhef van de zeer bekende Griekse heldensage: de Argonauten.

 

Het Gulden Vlies werd ten tijde van Philips de Goede (15e eeuw) overgrootvader van Keizer Karel (16e eeuw) het hoogste onderscheidingsteken in zijn (Bourgondische) rijk. De Orde van het Gulden Vlies was de tegenhanger van de Engelse Orde van de Kousenband, die reeds sinds de veertiende eeuw bestond. De Orde van het Gulden Vlies, net als de Orde van de Kousenband, bestaat nog steeds.

 

 

De ram in de Griekse mythologie

 

In Griekenland, in de landstreek Beotië, leefde koning Athamas, zoon van Minyas, die de eerste koning was die een schatkist liet maken. Hij was gehuwd met Nephele, een nimf; onsterfelijk was ze. Naar haar werden later alle nevels genoemd. Bij deze vrouw had de koning twee kinderen, een zoon Phrixus en een dochter Helle. Maar het huwelijk leed schipbreuk, deels door de hooghartige houding van Nephele die zich niet zo goed thuis voelde tussen het boerse volk der Beotiërs. Bovendien was het huwelijk een afgedwongen huwelijk geweest. Het was georkestreerd door de hoogste godin Hera. Zo was Nephele de burcht van Athamas, Orchomenos, binnengegaan. Maar nu verliet ze de burcht, en keerde terug naar meer hemelse gebieden, met andere woorden, ze stierf en werd opgenomen in geestelijke, niet-fysieke regionen.

 

Koning Athamas hertrouwde. De schone Ino werd zijn gemalin. Zij was de dochter van Cadmus, de stichter van de stad Thebe (zie Sterrenbeeld Boötes). Een korte tijd ging het goed, maar al snel werd duidelijk dat Ino het niet zo goed kon vinden met haar stiefkinderen. Ze was er jaloers op. Die jaloersheid werd nog groter en nam buitengewone proporties aan, toen ze zelf zonen en dochters kreeg. Want Phrixus, de oudste zoon van Athamas en Nephele, was natuurlijk de troonopvolger, en dat stak haar.

 

Ze zocht dus naar een middel om zich van Phrixus te ontdoen. Maar ze moest het zo aan boord leggen dat niemand zou merken dat zij de oorzaak was van Phrixus’ verdwijning.

 

Toen de zaaitijd was aangebroken, kwamen zoals gewoonlijk de boeren van de streek naar de burcht van de koning om hun zaaigraan te laten zegenen. Phrixus ontving de boeren en nam het zaaigraan in ontvangst. Hij ging met het zaaigoed naar Ino en vroeg haar om haar koninklijke zegen over het graan uit te spreken. Ino gaf hem daarop het bevel om het graan eerst te roosteren. Phrixus, die nog jong was, en niet ten volle bewust van zijn daden, deed wat zijn stiefmoeder hem had opgedragen.

Toen de boeren later dit graan zaaiden, bleven de akkers onbegroeid. Slechts wilde kruiden groeiden op, het graan bleef achterwege, de oogst mislukte en in het land brak hongersnood uit.

 

In hun nood richtten de boeren zich tot koning Athamas. Die zond gezanten naar de orakelplaats Delphi om de god Apollo om raad te vragen. Maar Ino reisde de gezanten achterna, haalde ze in en kocht ze om. Toen dan later de gezanten weer bij koning Athamas terugkwamen, verkondigden zij het valse orakel:

'Het land zal weer vrucht dragen als Phrixus aan de goden geofferd wordt.'

Koning Athamas werd haast waanzinnig bij het vernemen van het orakel. Hij wilde zich eerst aan het lot onttrekken, maar hij besefte dat een gebod van de goden moest uitgevoerd worden, wilde hij niet de goddelijke wraak op zichzelf doen neerkomen. Hij kon en durfde niet anders dan aan Apollo’s bevel gehoorzamen.

 

Samen met zijn gemalin Ino en allen die in zijn burcht verbleven, maakte hij zich op om het offer te voltrekken. Op afstand volgden de boeren. Niet ver buiten de stad verhief zich een berg die aan Apollo was gewijd. Daarheen begaf zich de treurige stoet. Langs de rotspaden klommen allen naar boven. Een stenen altaar was daar opgericht.

 

Phrixus werd geboeid op het altaar gelegd. Helle stond wenend naast hem, van plan om tot het laatste ogenblik bij haar broer te blijven.

 

Athamas trok zijn priestergewaad aan, waste zijn handen en nam het bronzen offermes. Reeds hief hij dit in de hoogte om de dodelijke steek toe te brengen, toen er een plotse nevel opstak. Daarin konden de aanwezigen een gouden ram onderscheiden die uit de nevel neerdaalde. De ram gebood Phrixus om op zijn rug te gaan zitten en Helle mee te nemen. Beide kinderen deden ogenblikkelijk wat de ram hen opdroeg en amper waren ze gezeten of de ram steeg, omhuld door de nevel, op, en al snel waren zij in de hoogte verdwenen.

 

Die nevel was niemand minder dan hun eigen moeder Nephele die van Zeus de toestemming had gekregen om haar zoon te redden. Hijzelf had haar de gouden ram geschonken. Maar nu Phrixus en Helle gered waren, verdween Nephele weer. Daarmee trok ook de nevel rond de gouden ram op en werd het prachtige zonovergoten landschap in de diepte zichtbaar. Phrixus genoot van het wonderlijke uitzicht en hield zich met beide handen stevig vast aan de gouden lokken van zijn rijdier. Hij voelde hoe Helle zich krampachtig aan hem vastklampte, haar armen stevig om zijn middel geklemd.

 

De ram bewoog zich snel voort in oostelijke richting. Weldra was hij bij de oostelijke grens van Europa gekomen, daar waar een smalle zee-engte dit werelddeel van Azië scheidt. Toen keek Helle in de diepte, nieuwsgierig naar het voor haar onbekende land. Maar toen ze daar in de peilloze diepte het blauwe water zag, werd ze duizelig. Ze loste haar greep en stortte naar beneden. Het water nam haar op en sloot zich weer.

Vanaf die dag werd deze zee genoemd de Zee van Helle of Hellespont. En deze naam wordt tot op de huidige dag aan deze zee-engte gegeven.

 

Geschrokken en bedroefd vloog Phrixus op de gouden ram verder. Steeds meer naar het oosten ging de tocht. Tot voorbij de Zwarte Zee. Daar lag het land Colchis, aan de oostkust van die zee. Het is het land waar de stallen zijn waarin de god Helius de paarden van zijn zonnewagen ‘s nachts onderbrengt. Daar worden ze elke ochtend voor de zonnewagen gespannen. Helius’ zoon Aietes was koning over dit land. Hier daalde de gouden ram neer en liet Phrixus bij de burcht van Aietes afstappen.

 

Koning Aietes nam de jonge Phrixus liefdevol op in zijn burcht, als was het zijn zoon. Uit dank voor zijn gastvrijheid schonk Phrixus hem de gouden ram. Phrixus kreeg daarop van hem de opdracht om de ram te offeren aan de goden. Want hen kwam in de eerste plaats dank toe omwille van zijn redding. Phrixus deed wat Aietes hem opdroeg en offerde de ram aan Zeus. Deze nam het offer welwillend aan en zette ter eeuwige herinnering de ram aan de hemel, waar hij sindsdien als sterrenbeeld op de aarde neerkijkt.

 

Aietes kreeg de gouden vacht van de ram. Hij was ooit door een orakel ervan verwittigd dat zijn leven slechts zo lang zou duren als hij in het bezit was van de gouden vacht. Om ervoor te zorgen dat de gouden vacht (of gulden vlies) niet op een of andere manier verloren zou gaan, of gestolen zou worden, spijkerde hij deze aan een geweldige eik, midden in het heilige woud. Hij liet de vacht bewaken door een reusachtige draak die nooit sliep.

 

 

Hoe verging het ondertussen Athamas en Ino?

Sinds de verdwijning van Phrixus en Helle ging het fout. De hoogste godin, Hera, was woedend op hen. Op Athamas omdat hij Nephele verstoten had, op Ino omdat zij zich op zo’n laffe wijze had willen ontdoen van Phrixus. Hera’s toorn groeide tot een hoogtepunt toen zij ontdekte dat Athamas en Ino nog een andere misdaad op hun geweten hadden: zij hadden namelijk in het geheim een zoon van Zeus opgevoed. Die zoon had Zeus verwekt bij Semele, de maangodin, en heette Dionysus.

Om hem te straffen maakte Hera Athamas waanzinnig. Hij dacht dat de oudste zoon van Ino - voor wie Phrixus de plaats had moeten ruimen - een hert was en schoot hem neer. Toen achtervolgde hij in zijn waanzin ook Ino en haar jongste zoon. Beiden sprongen van de hoge rotsen in zee, waar Zeus hen - dankbaar omdat Ino zijn zoon Dionysus had opgevoed - in zeegoden veranderde.

 

Phrixus huwde in Colchis een van de dochters van Koning Aietes en kreeg vier zonen.

 

Vele jaren later zal Iason, een van de grootste Griekse helden, met zijn Argonauten het ‘Gulden Vlies’ roven en het naar Griekenland terugbrengen. Dat verhaal hoort echter bij de sterrenbeelden Puppis, Vela en Carina. Deze sterrenbeelden liggen ten zuiden van de Grote Hond (met de ster Sirius) en vormen samen het schip Argo, waarmee Iason de reis naar Colchis volbracht. Toch al even dit: Iason was een nakomeling van koning Minyas, dus ook een verre verwant van Phrixus. Waarom ging hij op weg om het Gulden Vlies te roven? Omdat een orakel had gezegd dat het land waar de erfgenamen van Minyas woonden, nooit voorspoed zou kennen zolang de geest van Phrixus, tezamen met het Gulden Vlies niet per schip was weergekeerd.

 

 

Ram is het eerste sterrenbeeld van de Dierenriem

 

Ram is het eerste van de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem, omdat de zon bij de aanvang van de lente in het sterrenbeeld Ram staat. In prehistorische tijden was dat niet zo, toen kwam de zon op in het sterrenbeeld Stier bij het begin van de lente. Daarom draagt de Stier waarschijnlijk in de Hebreeuwse traditie de letter Aleph, de eerste letter van het alfabet. Volgens de astrologen komt de zon in Ram omstreeks 21 maart, dat is op de equinox of dag- en nachtevening. Maar astronomisch is dat niet meer correct, de zon komt pas een kleine maand later (omstreeks 16 april) in dit sterrenbeeld. Astronomie en astrologie lopen dus niet meer gelijk. Op het moment van de lente-equinox staat de zon tegenwoordig in het sterrenbeeld Vissen. Het zal nog véle jaren duren voor het lentepunt doorschuift naar het sterrenbeeld Waterman; het Aquariustijdperk is dus nog niet voor morgen.

 

In diverse culturen en godsdiensten is het getal 12 een heilig getal.

De 12 apostelen zijn er als stralen rondom de figuur van Christus.

Aartsvader Jakob had 12 zonen.

Het spreekt dan ook voor zich dat die 12 er niet zomaar is: ze verwijst naar de 12 sterrenbeelden van de Dierenriem.

 

Helaas voor het heilige getal 12. Maar de dierenriem bevat niet 12, maar 13 sterrenbeelden. Het sterrenbeeld Slangendrager (Asclepius ofte Ophiuchus) heeft zich er tussen gewrongen, tussen Schorpioen en Boogschutter en krijgt ook zon en maan en planeten over de vloer.

 

 

Ram in de Bijbel

 

In het Oude Testament stemt Ram overeen met Gad, de zevende zoon van aartsvader Jakob.

 

Aartsvader Jakob had 12 zonen, maar ze waren niet allemaal verwekt bij dezelfde vrouw. Jakob wilde Rachel tot vrouw nemen, maar de vader (Laban) van Rachel was daarmee niet akkoord. Daarom moest Jakob eerst huwen met de oudere zus Lea, want zo hoorde het in die tijden: de oudste zus moest eerst huwen, dan pas de volgende. Bovendien legde Laban aan Jakob de verplichting op om gedurende 10 jaar voor hem te werken. Dan pas zou hij Rachel kunnen huwen. Jakob volbracht de hem opgelegde verplichtingen, maar al was hij dan gehuwd met twee zussen, monogaam, ja zelfs bigaam bleef hij niet.

 

Zo staat het in de Bijbel beschreven:

Genesis 29, 31-35.

 

4 zonen bij Lea

Toen Jahweh zag dat Lea minder bemind werd, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef. Lea werd zwanger en baarde een zoon en noemde hem Ruben: 'Want zei ze, Jahweh heeft neergezien op mijn ellende: nu zal mijn man wel van mij gaan houden.' Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en zei: 'Jahweh heeft gehoord dat ik minder bemind word, daarom heeft Hij mij ook dit kind gegeven.' En zij noemde hem Simeon. Zij werd nog eens zwanger, baarde weer een zoon en zei: "Ditmaal zal mijn man zich wel aan mij gaan hechten, want ik heb hem drie zonen geschonken.' Daarom kreeg hij de naam Levi. Zij werd nog eens zwanger, baarde een zoon en zei: "Ditmaal zal ik Jahweh prijzen." Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij geen kinderen meer.

 

2 zonen bij Rachel's slavin Bilha. Genesis 31, 1-8

Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd ze jaloers op haar zuster en zei tot Jakob: 'Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.' Toen werd Jakob kwaad op Rachel en zei: 'Neem ik soms de plaats in van God, die je geen kinderen laat krijgen?' Daarop zei Rachel: 'Hier is mijn slavin Bilha, heb gemeenschap met haar, dan kan zij op mijn knieën baren en kan ik kinderen krijgen door haar.' Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob had gemeenschap met haar. Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon. Toen zei Rachel: 'God heeft mij recht gedaan, Hij heeft mijn gebed verhoord en mij een zoon geschonken.' Daarom noemde zij hem Dan. Rachels slavin Bilha werd opnieuw zwanger en schonk Jakob een tweede zoon. Rachel zei: 'Een harde strijd heb ik met mijn zuster gestreden en ik heb overwonnen.' Daarom noemde zij hem Naftali.

 

2 zonen bij Lea's slavin Zilpa. Genesis 31, 9-13

Toen Lea merkte dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw. En ook Zilpa, de slavin van Lea, schonk Jakob een zoon. Toen zei Lea: 'Het geluk is gekomen.' Daarom noemde zij hem Gad.

Deze Gad werd in de Hebreeuwse astrologie vereenzelvigd met het sterrenbeeld Ram. Al was dat niet overal en steeds het geval. Ook Naftali werd soms in de plaats van het sterrenbeeld Ram gesteld.

Lea' s slavin Zilpa schonk Jakob een tweede zoon. Nu zei Lea: 'Ik ben wél gelukkig, De meisjes zullen mij gelukkig prijzen'. Daarom noemde zij hem Aser.

 

Nog 2 zonen en 1 dochter bij Lea. Genesis 30, 14-21

In de dagen van de tarweoogst ging Ruben er eens op uit en vond liefdesappels ergens op het veld en bracht ze naar zijn moeder Lea. Nu zei Rachel tot Lea: 'Geef mij ook een paar van die liefdesappels van je zoon.' Maar zij antwoordde: 'Is het niet genoeg dat je mijn man afneemt? Wil je nu ook nog beslag leggen op die liefdesappels van mijn zoon?' Rachel zei: 'Als je mij de liefdesappels van je zoon geeft, mag Jakob vannacht bij jou slapen.' Toen Jakob dus 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en zei: 'Je moet bij mij komen slapen, want ik heb eerlijk voor je betaald met de liefdesappels van mijn zoon.' Die nacht ging hij dus bij haar slapen. En God verhoorde Lea; zij werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon. Toen zei Lea: 'God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven.' Daarom noemde zij die zoon Issakar. Lea werd nog eens zwanger en schonk Jakob een zesde zoon. Toen zei Lea: 'God heeft mij een mooi geschenk gegeven: ditmaal zal mijn man wel bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen geschonken.' En zij noemde die zoon Zebulon. Daarna bracht zij nog een dochter ter wereld en noemde haar Dina.

 

1 zoon bij Rachel. Genesis 30, 22-26

Toen dacht God aan Rachel, Hij verhoorde haar en opende haar schoot. Zij werd zwanger, baarde een zoon en zei: 'God heeft mijn schande weggenomen.' Zij noemde hem Jozef, daarbij denkend: 'Moge Jahwe mij nog een zoon toevoegen.'

Toen Rachel Jozef gebaard had, zei Jakob tegen Laban: 'Laat mij teruggaan naar mijn woonplaats en vaderland. Geef mij mijn vrouwen en kinderen voor wie ik bij u gewerkt heb en laat mij gaan; u weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb.

 

Nog 1 zoon bij Rachel. Genesis 35, 16-20

Na hun vertrek uit Betel, even voor Efrata, bracht Rachel een kind ter wereld. De bevalling was moeilijk. Tijdens die zware bevalling zei de vroedvrouw tot haar: 'Wees maar niet bang, want u krijgt weer een zoon.' Toen het leven van haar week en zij op sterven lag, noemde zij hem Ben Oni, maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin. Toen Rachel gestorven was, werd zij begraven langs de weg naar Efrata of Bethlehem. Jakob plaatste een gedenksteen op het graf. (1)

 

 

Ram in de Bijbel is ook de ram die Abraham offerde

 

Toen Abrahams zoon Isaak een jongeling was, kreeg Abraham in een visioen van Jahweh de opdracht om Isaak als offer aan Hem op te dragen op de berg Moria.

 

De volgende ochtend maakte Abraham zich klaar om naar de door Jahweh aangeduide plaats te reizen. Twee knechten bepakten de ezels en Isaak maakte zich op verzoek van zijn vader klaar voor de reis.

 

Toen zij op de derde dag van hun reis de berg Moria voor zich zagen, vertelde Abraham aan zijn zoon dat dit de plaats was waar zij het offer zouden opdragen aan God.

 

Aan de voet van de berg gaf Abraham de knechten de opdracht om daar te blijven bij de ezels; hijzelf zou met Isaak de berg beklimmen. Hij nam het vuur en het offermes en liet Isaak het hout dragen. Zo beklommen ze langs een smal pad de berg.

 

Onderweg vroeg Isaak: 'Vader, we hebben nu wel hout en vuur en u hebt het offermes in de hand; maar waar is het lam dat we gaan offeren?'

Abraham antwoordde: 'Daar zal Jahweh wel voor zorgen, mijn zoon.'

 

Toen zij boven op de berg waren gekomen legde Abraham vuur en offermes ter zijde, en liet Isaak het brandhout neerleggen. Samen bouwden ze met stenen die ze daar vonden een altaar. Daarop stapelden ze het hout. Toen vroeg Abraham aan Isaak om op het altaar te klimmen, en op het hout neer te knielen. Gehoorzaam deed Isaak wat zijn vader vroeg. Toen Isaak op zijn knieën zat, met het hoofd tot tegen de takken gebogen, bond Abraham handen en voeten van zijn zoon vast. Hij nam zijn offermes en hield het klaar om zijn zoon te slachten. Reeds flikkerde het staal in het felle zonlicht, toen plots een stem uit de hemel klonk:

 

'Abraham! Abraham!'

Het was de engel van God die sprak.

Abraham: 'Hier ben ik, Heer.'

'Abraham, leg het offermes neer en raak uw zoon niet aan. Ik heb gezien dat u trouw bent aan uw God, en Hem vreest, want u hebt zelfs niet geaarzeld om uw enige zoon aan Mij te offeren.'

Abraham legde het mes neer en keek om zich heen, niet wetend wat hij nu moest doen.

Toen zag hij temidden van de struiken een jonge ram, die met zijn horens verstrikt was geraakt in de doorns. Hij bevrijdde zijn zoon, en samen grepen ze de ram, bonden de poten vast en legden hem op het altaar. Toen sneed Abraham de hals van het dier open met het offermes en bracht het offer aan Jahweh, zijn God.

 

Toen God het offer van Abraham zag, sprak de engel van God: 'Omdat u dit gedaan hebt, zal ik u zegenen in uw nakomelingen. Ze zullen even talrijk zijn als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels aan het strand. In uw nakomelingschap zullen alle geslachten van de aarde gezegend zijn, want u hebt naar mijn stem geluisterd.'

 

Abraham en Isaak daalden de berg af en keerden met de knechten en ezels naar huis terug.

 

Omdat Jahweh hem op die plaats van een offerdier had voorzien, noemde hij die plek sindsdien 'God voorziet'.

 

 

Ram in de Koran

 

Ibrahiem offert zijn zoon

 

Net als in de Bijbel wordt in de Koran verteld dat Ibrahiem (Abraham) zijn zoon wilde offeren aan God. In de Koran staat echter niet om welke zoon het gaat. Abraham had een zoon bij zijn slavin Hagar. Die zoon heette Ismaïel (Ismaël). Toen hij echter een zoon kreeg bij zijn vrouw Sara, stuurde hij de slavin met haar zoon Ismaïel weg. Dit wordt verteld in Genesis, 21, 14 - 21

 

Abraham voorzag Hagar de volgende ochtend van brood en een zak water, zette het kind op haar schouder en stuurde hen weg. Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba. Toen de waterzak leeg was, legde zij het kind onder een struik en ging op een boogschot afstand zitten, want zij dacht: 'Ik kan mijn kind niet zien sterven.' Ze bleef daar zitten en weende luid.

God hoorde het wenen van de jongen, en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar: 'Wat is er, Hagar? Wees maar niet bang, want God heeft in zijn verblijf het wenen van uw kind gehoord. Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want ik zal een groot volk van hem maken.' Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij vulde de zak weer met water en gaf de jongen te drinken. En God beschermde de jongen. Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn en werd een ervaren boogschutter. Hij ging wonen in de woestijn van Paran, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte. (1)

 

 

Voor joden en christenen is het verhaal gekend dat Abraham zijn zoon Isaak wou offeren. Voor de islamieten echter gaat het om de zoon Ismaïel, al wordt diens naam in de Koran niet specifiek vermeld. De verzen in de Koran die over deze gebeurtenis gaan, eindigen wel met een zegening van Ibrahiem en Ishaak.

In de Bijbel staat dat Abraham een ram offerde; in de Koran is er geen sprake van een ram of van enig ander dier; daar gaat het om een niet nader genoemd offer.

 

Op basis van dit verhaal vieren de islamieten hun grootste feest van het jaar: het Offerfeest.

Dit feest wordt gevierd op de tiende dag van de hadj en kan zich over drie dagen uitstrekken.

Op deze dag (of de tweede of derde dag) slachten de moslims op rituele wijze een dier. Meestal een schaap, maar het kan ook een geit of een rund of een kameel zijn. Een derde van het geslachte dier is voor eigen gebruik, een derde voor familie en vrienden, een derde wordt geschonken aan de armen.

 

Wikipedia over het Offerfeest:

 

Het centrum van de wereldwijde viering van het offerfeest is het dorpje Mina, dichtbij Mekka.

Na zonsondergang op de negende dag verzamelen de pelgrims zich in Muzdalifah waar zij slapen. De volgende ochtend worden 49 of 70 kleine kiezels opgeraapt en meegenomen naar Mina. Dit is de plek waar de drie zuilen staan die de duivel (Iblis of Sjaitan) voorstellen en die worden gestenigd door moslims tijdens de hadj.

Het dorp huisvest in deze tijd ook een groot aantal slachters die de halal-slachting van grote aantallen offerdieren voor de pelgrims verzorgen. De recente explosieve groei van pelgrims heeft geleid tot grote hoeveelheden dieren die geslacht worden, iets dat wel als verspilling wordt gezien. De hadjautoriteiten zorgen er tegenwoordig echter voor dat het vlees in ingevroren toestand bij behoeftigen over de hele wereld terecht komt.

 

 

Uit de Koran

Soera 37, 101-113 Soerat as-saaffaat (= de zich opstellenden)

 

Daarop verkondigden Wij hem het goede nieuws van een zachtmoedige jongen. Toen die zover was dat hij met hem mee kon gaan zei hij: 'Mijn zoon, ik heb in de slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt.' Hij zei: 'Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik; als God het wil, iemand ben die geduldig volhardt.' Toen zij zich beiden aan Gods wil overgegeven hadden en hij hem op zijn voorhoofd had neergelegd, riepen Wij hem: 'Ibrahiem! Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen Wij hen die goed doen. Dit was duidelijk een beproeving.' En Wij gaven voor hem een geweldig offer in de plaats. En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na. Vrede zij met Ibrahiem! Zo belonen Wij hen die goed doen. Hij behoort tot Onze gelovige dienaren. En Wij verkondigen hem het goede nieuws van Ishaak die een profeet uit het midden van de rechtschapenen zou zijn. Wij zegenden hem en Ishaak. En onder hun nageslacht zijn er die goed doen en die zich duidelijk onrecht aandoen. (2)

 

 

Ram is Petrus aan de christelijke sterrenhemel

 

In de christelijke overlevering werd het sterrenbeeld Ram gelijkgesteld met de apostel Petrus. Daaruit blijkt dus al duidelijk dat Ram en Petrus beide de eersten zijn in hun reeks.

 

Petrus was de belangrijkste van de twaalf apostelen, hij was bovendien de eerste die door Jezus tot leerling werd aangesteld, net als de Ram het eerste sterrenbeeld van de zodiak is.

 

Uit het Nieuwe Testament, evangelie van Mattheüs:

Eens toen Jezus zich bij het Meer van Galilea bevond, zag hij twee broers, Simon, die Petrus wordt genoemd, en diens broer Andreas, bezig het net uit te werpen in het meer. Zij waren namelijk vissers. En hij sprak tot hen: 'Komt, volgt mij, ik zal u vissers van mensen maken.' Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden hem.

 

Wat verder in de tekst van dit evangelie staat :

Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus was gekomen, stelde hij zijn leerlingen deze vraag: 'Wie is volgens de opvatting van de mensen de Mensenzoon?' Zij antwoordden: 'Sommigen zeggen: Johannes de Doper, anderen: Elia, weer anderen: Jeremia of een van de profeten.' 'Maar gij, sprak hij tot hen, wie zegt gij dat ik ben?' Simon Petrus antwoordde: 'Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God.' Jezus antwoordde:

'Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het rijk der hemelen, en wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn.' (1)

 

 

In de 'Gouden Legende' van Jacobus de Voragine (13e eeuw), lezen we verschillende legenden over Petrus. De Voragine weidt vooral uit over de strijd die Petrus voerde met Simon de Tovenaar, zowel in Jeruzalem als in Rome. Een uittreksel:

 

De apostel Petrus overtrof alle andere apostelen in geloofsijver.

Hij was het die de naam wilde weten van degene die Jezus zou uitleveren, en zoals de heilige Augustinus zegt, hij zou niet geaarzeld hebben om de verrader met zijn tanden te verscheuren, als hij diens naam had gekend. Daarom wilde Jezus de naam niet geven, omdat, zoals Chrysostomus zegt, als hij de naam had verklapt, Petrus onmiddellijk zou recht gesprongen zijn en de schuldige zou gewurgd hebben.

Hij is het die over de golven naar Jezus liep.

Hij is degene die door Jezus werd uitverkoren om de transfiguratie bij te wonen, en hij was ook aanwezig bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus.

Hij is het die het muntstuk vond in de bek van de vis.

Hij is het die van de Heer de sleutels van het hemelrijk ontving en die de opdracht kreeg om de schapen van Christus te weiden.

Hij is de apostel die op Pinksteren drieduizend mensen bekeerde door zijn prediking.

Hij was het die de dood van Ananias en Saphirus voorspelde; die de lamme Eneus genas, die Cornelius doopte, die Tabitus uit de dood opwekte, die alleen al door zijn schaduw de zieken genas.

Hij was het die door Herodes werd gevangengenomen en bevrijd werd door een engel.

Over zijn kleding en voeding: hijzelf vertelt ons in het boek van Clemens: 'Ik voed me slechts met brood en olijven, en, eerder zelden, met groenten. Mijn kleding bestaat eenvoudig uit de tuniek en de mantel die ik aanheb, en daarmee heb ik genoeg, ik verlang niets anders.'

 

Men zegt dat hij altijd een zweetdoek op zijn borst droeg, waarvan hij zich bediende om zijn tranen te drogen, want elke keer als hij zich de zoete stem van zijn goddelijke meester herinnerde, kon hij zijn tranen niet bedwingen. Hij weende ook telkens hij terugdacht aan zijn verloochening op de avond van Witte Donderdag. Daardoor was het zo’n gewoonte geworden om te wenen, dat zijn gezicht, zo vertelt Clemens, als geëtst was door de tranen.

Clemens vertelt ook dat hij de nachten in gebed doorbracht, wachtend op het eerste gekraai van de haan, en dat daarbij de tranen overvloedig over zijn kaken stroomden.

Wij weten ook, dankzij het getuigenis van Clemens, dat de dag waarop zijn vrouw het martelaarschap onderging, haar verheugd toeriep: 'Mijn vrouw, denk aan de Heer!'

 

Op een dag zond Petrus twee van zijn leerlingen uit om te gaan prediken. Een van hen stierf onderweg, waarop de andere naar Petrus terugkeerde om hem het treurige nieuws te brengen. Deze laatste was, volgens de enen, de heilige Martialis, maar volgens anderen was het de heilige Maternus. De gestorven leerling was de priester Georgius. Petrus gaf aan de overlevende zijn staf met de opdracht die op het lijk van zijn compagnon te leggen. Van zodra hij dat gedaan had, werd de gestorvene weer levend, ondanks het feit dat hij toen al veertig dagen dood was.

 

In die tijd leefde er in Jeruzalem een magiër, Simon genaamd, die van zichzelf beweerde dat hij de Eerste Waarheid was. Hij beloofde onsterfelijkheid aan hen die in hem geloofden en hij beweerde dat niets onmogelijk was voor hem.

Hij zei ook, zoals het gerapporteerd staat in het boek van Clemens: 'Ik zal publiekelijk aanbeden worden als een god, ik zal goddelijke eerbewijzen ontvangen, en ik zal al doen wat ik wil. Op een dag, toen mijn moeder Rachel mij naar het veld zond om er te oogsten, gaf ik opdracht aan de sikkel om zelf te maaien. De sikkel zette zich aan het werk en volbracht het werk tienmaal sneller dan de maaiers.'

Hij zei ook, volgens Hiëronymus: 'Ik ben het Woord Gods, ik ben de Heilige Geest, ik ben God in zijn geheel!'

Hij kon bronzen slangen laten bewegen, kon stenen en bronzen beelden laten lachen en kon honden laten zingen.

 

Deze man wilde in discussie treden met Petrus om hem te laten zien dat hij God was. Op de afgesproken dag ging Petrus naar hem toe en zei tegen de aanwezigen:

'Vrede met u, mijn broeders, die de waarheid bemint.'

Waarop Simon zei:

'We hebben uw vrede niet nodig, want als wij in vrede leven, kunnen we ons niet inzetten om de waarheid te ontdekken. Ook de dieven verstaan zich onderling in vrede. Roep dus de vrede niet aan, maar de strijd; en de vrede zal pas tot stand komen als een van ons beiden de andere heeft overwonnen.'

Petrus zei:

'Waarom boezemt het woord vrede u schrik in? De oorlog wordt geboren uit de zonde, en waar geen zonde is, heerst vrede. Door woord en wederwoord ontdekken we de waarheid, door de daden wordt gerechtigheid gecreëerd.'

Simon:

'Dat betekent allemaal niets. Maar ik zal u de kracht van mijn goddelijkheid tonen, en u zult me moeten aanbidden, want ik ben de Eerste Waarheid; ik kan vliegen in de lucht, nieuwe bomen scheppen, stenen veranderen in brood, in het vuur staan zonder te verbranden; al wat ik wil kan ik doen.'

Maar Petrus weerlegde een voor een al zijn uitspraken en openbaarde het bedrog van al zijn toverkunsten. Simon, die inzag dat hij niet opgewassen was tegen Petrus, wierp al zijn toverboeken in het water opdat hij niet aangeklaagd zou worden als tovenaar en vertrok naar Rome om zich daar als een god te laten behandelen. En Petrus, van zodra hij dat vernam, ging ook naar Rome, Simon achterna.

 

Petrus kwam in Rome aan in het vierde regeringsjaar van keizer Claudius. Hij bracht er vijfentwintig jaar door en stelde er Linus en Cletus aan als bisschoppen; de ene voor de buitenwijken van Rome, de andere voor het stadsgebied binnen de muren. Hij preekte onvermoeibaar en bekeerde talloze heidenen tot het ware geloof. Hij genas talloze zieken. Omdat hij steeds weer de kuisheid ophemelde, weigerden de vier concubines van Agrippa, de prefect, om hem nog langer ter wille zijn, nadat ze zich tot het christendom hadden bekeerd. Om die reden zocht de prefect een gelegenheid om zich van die apostel te ontdoen.

Maar de Heer verscheen aan Petrus en zei:

'Simon en Nero hebben kwade bedoelingen met je, maar vrees niet, want ik ben bij je. Ik geef je als troost en sterkte mijn dienaar Paulus, die morgen in Rome zal aankomen.'

Daarop begaf Petrus zich, wetend dat zijn pontificaat ten einde liep, naar de vergadering van de gelovigen, nam Clemens bij de hand, en wijdde hem tot bisschop en liet hem op zijn stoel zitten. De volgende dag kwam Paulus in Rome aan, zoals de Heer had voorspeld, en begon hij samen met Petrus te prediken.

 

Simon de magiër stond zo in de gunst bij Nero, dat iedereen wist dat het lot van de gehele stad in zijn handen lag. Op een dag was hij bij Nero en had hij zijn gezicht zodanig veranderd dat hij nu eens een ouderling leek, dan weer een jongeling. Toen Nero dat zag dacht hij dat Simon écht de zoon van God was.

 

Op een andere keer zei de magiër tegen de keizer:

'Om u ervan te overtuigen dat ik werkelijk de zoon van God ben, laat me dan onthoofden en de derde dag zal ik verrijzen!'

Nero gaf dus opdracht aan de beul om Simon het hoofd af te hakken. Maar Simon slaagde er dankzij toverkunst in, dat de beul dacht dat hij zijn hoofd afhakte, maar in werkelijkheid een ram onthoofde. Snel verborg hij kop en lijf van de ram en liet alleen de bloedsporen achter op de vloer. Dan verborg hij zichzelf gedurende drie dagen.

De derde dag verscheen hij weer voor Nero en zei:

'Laat mijn bloedsporen nu maar verwijderen, want hier ben ik, verrezen zoals ik het voorspeld heb!'

Nero twijfelde nu absoluut niet meer aan de goddelijkheid van Simon.

Op een dag, toen Simon bij Nero in een kamer was, sprak een duivel die de gedaante van Simon had aangenomen, het volk toe op het Forum, zodat het leek dat Simon de gave van bilocatie bezat..

Ten slotte kon hij zoveel respect afdwingen bij de Romeinse bevolking, dat men een standbeeld voor hem oprichtte met de inscriptie: 'Aan de heilige god Simon'.

 

Maar Petrus en Paulus, op audiëntie bij keizer Nero, ontmaskerden al de tovenarijen van Simon. Petrus beweerde zelfs dat, zoals er twee naturen waren in Christus, de goddelijke en de menselijke, er ook twee naturen waren in Simon, namelijk de menselijke en de duivelse.

Simon verklaarde daarop:

'Ik kan de aanwezigheid van deze tegenstander niet langer verdragen! Ik ga mijn engelen opdracht geven om me op hem te wreken!'

Waarop Petrus zei:

'Ik vrees uw engelen niet, zij zijn het die bevreesd zijn voor mij.'

En Nero:

'Vreest u Simon niet, die door zijn daden toch bewijst van goddelijke oorsprong te zijn?'

Petrus sprak:

'Als hij echt goddelijk is, dat hij dan zegt waaraan ik denk en wat ik op dat moment doe. Maar eerst ga ik u in het oor zeggen wat ik denk zodat hij niet zal kunnen liegen!'

Petrus fluisterde keizer Nero in het oor:

'Laat me in het geheim een gerstebrood brengen.'

Daarna, toen men hem het brood had gebracht en hij het in zijn mouw had verstopt, zei hij: 'Dat Simon nu vertelt wat ik heb gezegd, gedacht en gedaan.'

Maar Simon wou zich niet gewonnen geven: 'Laat Petrus nu maar zeggen wat ik denk!'

Petrus:

'Wat Simon denkt? Ik zal laten zien dat ik weet wat hij denkt door te doen waaraan hij denkt!'  

Daarop riep Simon verbolgen:

'Dat er grote honden komen om hem te verscheuren!'

En dadelijk kwamen er grote honden aangerend die zich op de apostel wierpen. Maar Petrus haalde het brood uit zijn mouw, zegende het en gaf het aan de honden die er gedwee mee afdropen.

'Zie,' zei Petrus tegen Nero, 'hoe ik bewezen heb, niet door mijn woorden, maar door mijn daden, dat ik wist wat Simon dacht.'

Simon zei:

'Luistert, Petrus en Paulus, ik kan jullie hier niets doen en ik spaar jullie vandaag; maar we zullen elkaar weer ontmoeten en dan zal ík over jullie oordelen!'

 

Diezelfde Simon, in zijn hoogmoed, durfde het aan te beweren dat hij doden weer levend kon maken. Toen gebeurde het op een keer dat een jonge man schielijk het leven liet en men riep Petrus en Simon. Simon stelde voor dat degene van hen beiden die er niet in slaagde om de jongen weer levend te maken zou sterven.

Simon boog zich zo diep over het lijk van de jongeling dat zijn hoofd het hoofd van de gestorvene raakte en sprak allerlei bezweringsformules uit en liet uitschijnen alsof de jongeling het hoofd bewoog. De menigte reageerde met luide kreten en wilde Petrus al te lijf gaan om hem af te voeren en te stenigen. Maar Petrus kalmeerde het volk. Toen het eindelijk stil was geworden, riep hij:

'Als deze jongen werkelijk levend is, dat hij dan rechtstaat, dat hij stapt en dat hij spreekt. Zo niet zullen we slechts geloven dat het een demon was die het hoofd van de dode liet bewegen. Maar neem eerst Simon weg van het bed, zodat het werk van de duivel aan het licht komt!'

Men verwijderde Simon dus van het bed, en men zag dat de jongeling weer onbeweeglijk lag. Petrus zette enkele stappen achteruit, sloot de ogen, vouwde de handen en bad enkele ogenblikken.

Toen zei hij:

'Jonge man, in de naam van Jezus Christus van Nazareth, sta op en wandel!'

Onmiddellijk kwam de dode tot leven, stond op en stapte. Toen wilde het volk zich vergrijpen aan Simon en hem stenigen, maar Petrus zei:

'Hij is voldoende gestraft door te moeten erkennen dat zijn toverkunsten niets uithalen. En onze Meester heeft ons opgedragen kwaad met goed te vergelden.'

Simon:

'Weet, Petrus en Paulus, dat, ondanks jullie verlangen, ik jullie nooit de martelaarskroon zal gunnen!'

Petrus:

'Ik wens dat wij mogen verkrijgen wat wij verlangen, maar u wens ik alleen het slechtste toe. Want al uw woorden zijn leugens!'

 

 

Simon ging eens naar het huis van zijn leerling Marcellus en zei hem, nadat hij een grote hond aan de deur had vastgelegd:

'Ik wil nu wel eens zien of Petrus, die hier vaak komt om u te zien, hier nu nog durft binnenkomen.'

Maar toen Petrus bij Marcellus kwam, maakte hij een kruisteken over de hond, die daardoor onmiddellijk van zijn ketenen was bevrijd. Van die dag af was de hond vriendelijk voor iedereen, behalve voor Simon. De hond wierp zich op de tovenaar en wilde hem verscheuren. Dat zou ook gebeurd zijn indien Petrus niet snel tussenbeide was gekomen en de hond opdracht gaf om Simon geen kwaad te doen. En inderdaad, de hond raakte Simon niet aan, maar rukte al zijn kleren in flarden. Simon sloeg op de vlucht, achterna gezeten door het gepeupel, maar vooral door de kinderen, en ze joegen hem de stad uit als was hij een wolf. Simon was zo beschaamd dat hij zich gedurende een jaar niet meer in Rome durfde vertonen. Zijn leerling Marcellus, overtuigd door de mirakelen die Petrus verrichtte, bekeerde zich en werd leerling van de apostel.

 

 

Later kwam Simon toch terug naar Rome en kwam weer in de gratie van de keizer. Op een dag riep hij het volk bijeen en verklaarde dat hij de stad zou verlaten, omdat hij, door de acties van Petrus en Paulus, niet langer in staat was om de stad onder zijn bescherming te nemen. Hij zou ten hemel opstijgen, want de aarde was niet langer waardig hem te dragen. Enige tijd later, op de dag van zijn afscheid, beklom hij een hoge toren (volgens Linus beklom hij het Capitool) en vanaf daar begon hij te vliegen. Op het hoofd droeg hij een kroon van laurier.

Nero, aanwezig bij dit schouwspel, zei tegen de twee apostelen:

'Simon zegt de waarheid, jullie zijn bedriegers!'

Petrus zei tegen Paulus:

'Kijk omhoog!'

Paulus keek omhoog, zag Simon vliegen en zei tegen Petrus:

'Petrus, wacht niet langer met de voltooiing van uw werk, want de Heer roept ons al!'

Toen riep Petrus:

'Engelen van Satan, die deze mens in de lucht omhoog houdt, in de naam van mijn meester Jezus Christus, gebied ik u om hem los te laten'”

En ogenblikkelijk stortte Simon neer, brak zijn schedel en stierf.

 

Toen Nero dit vernam, was hij droef om het verlies van zo’n begaafd man en zei tegen de apostelen dat hij hen daarvoor zou straffen. Hij gaf hen in de handen van een hoge functionaris, Paulinus was zijn naam, die hen in de gevangenis liet werpen en hen liet bewaken door twee soldaten, Processus en Martinianus. Maar dezen, bekeerd door Petrus, openden de gevangenispoort en schonken Petrus en Paulus weer de vrijheid. Op bevel van keizer Nero werden de beide soldaten later, na de dood van de apostelen, onthoofd.

 

Op aandringen van de christenen, besloot Petrus de stad te verlaten. Maar toen hij bij een van de poorten van de stad kwam, daar waar nu de kerk van Sancta Maria ad Passus staat, kwam hij Christus tegen die Rome naderde.

Op de vraag van Petrus: 'Heer, waar ga je heen?' (In het Latijn: Quo vadis?)

antwoordde Christus:

'Ik ga naar Rome om opnieuw gekruisigd te worden.'

Petrus: 'Opnieuw gekruisigd?'

De Heer: 'Ja.'

Petrus zei: 'Dan, Heer, ga ik ook terug naar Rome om samen met u gekruisigd te worden.' Daarop steeg de Heer weer ten hemel, Petrus in tranen achterlatend.

 

Petrus begreep nu dat het uur van zijn martelaarschap was aangebroken en keerde terug in de stad. Daar werd hij gegrepen door de dienaars van Nero en voor prefect Agrippa geleid. Volgens Linus straalde het gezicht van Petrus.

De prefect zei: 'U bent werkelijk de man die ervan houdt om tussen het gepeupel te leven en de vrouwen weg te houden van het bed van hun echtgenoot?'

Petrus antwoordde: 'Ik verheug me alleen in het kruis van de Heer.'

Omdat Petrus geen Romein was werd hij veroordeeld tot de kruisdood. Paulus daarentegen, die Romeins burger was, werd veroordeeld tot de onthoofding.

 

In zijn brief aan Timotheüs over de dood van Paulus, schrijft Dionysus dat de massa heidenen en Joden niet ophield met de apostelen te slaan en hen in het gezicht te spuwen. Toen het moment van scheiden aangebroken was zei Paulus tegen Petrus:

'Moge de vrede met u zijn, stichter van kerken, herder van de schapen van Christus.'

En Petrus zei tegen Paulus: 'Ga in vrede, prediker van de waarheid en van het goede, bemiddelaar voor het heil der rechtvaardigen.'

Dionysus volgde daarop zijn meester Paulus, want de twee apostelen werden geëxecuteerd op twee verschillende plaatsen.

 

Toen Petrus voor zijn kruis stond zei hij:

'Mijn meester is uit de hemel neergedaald op aarde, maar werd van de aarde verheven op het kruis. Maar ik, die hij waard gevonden heeft om van de aarde naar de hemel te roepen, ik wil dat ik gekruisigd word met het hoofd naar de aarde gekeerd en met de voeten naar de hemel, want ik ben niet waard om op dezelfde manier te sterven als mijn meester Jezus.' Zo gebeurde: men draaide het kruis om zodat hij met het hoofd naar beneden hing en de benen omhoog.

 

Ondertussen keerde het volk zich woedend tegen Nero en de prefect en wilde de apostel bevrijden, maar deze bad de mensen om hem zijn martelaarschap niet te ontnemen. Toen opende God de ogen van hen die weenden en zij zagen engelen met kronen van rozen en lelies en rechtop tussen hen Petrus die van Christus een boek ontving waarin hij met luide stem las. Petrus merkte dat het volk zijn hemelse glorie zag en wijdde het nogmaals toe aan God. Toen stierf hij.

 

Twee broers, Marcellus en Apuleus, leerlingen van Petrus, haalden hem van het kruis en begroeven hem, na hem met geurige kruiden te hebben gebalsemd.

 

Diezelfde dag verschenen Petrus en Paulus aan Dionysus, die hen beiden door een stadspoort zag naderen, hand in hand, gekleed in helder licht en het hoofd omgeven met een lichtende kroon.

 

 

Petrus is de primus inter pares: de eerste onder zijns gelijken. Zo is ook de Ram.

 

De 12 maanden van het jaar zijn schatplichtig aan de 12 sterrenbeelden van de Dierenriem. Eertijds vielen sterrenbeeld en maand samen, maar door de verschuiving van het lentepunt zijn maanden en sterrenbeelden zo ongeveer drie weken uiteen gegroeid. Daardoor komt het bijvoorbeeld dat de lente nu pas omstreeks de 21e maart begint (lente-equinox), en niet meer op 1 maart zoals dat iets meer dan tweeduizend jaar geleden het geval was.

 

Verwant aan Ram is de maand maart. De naam van die maand is afgeleid van Mars, de oorlogsgod der Romeinen. Zowel in de ram als in maart vinden we iets van het vurige karakter terug dat ook Petrus typeert. Niet toevallig is Ram dan astrologisch gezien ook een vuurteken. Wie aan het begin van iets staat, zoals Ram aan het begin van de dierenriem, zoals Petrus aan de oorsprong van de christelijke kerken, zoals Mars aan het ontstaan van Rome, die moet iets dynamisch, vurigs uitstralen. De lente, die aanvangt als de zon in het sterrenbeeld Ram komt (volgens de astrologie), duidt ook op de overwinning van de warmte op de koude. Het leven keert daarmee terug.

 

 

Ster en steen

 

Op de borstplaat van de Israëlische hogepriester waren 12 stenen bevestigd. Die correspondeerden met de 12 zonen van Jakob en daardoor ook met de 12 sterrenbeelden van de dierenriem.

 

 

Exodus 39, 8-14

Een kunstenaar maakte van hetzelfde materiaal als de efod de orakeltas: van gouddraad, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. Ze was vierkant als het doek dubbelgeslagen werd, een span lang en een span breed, en bestond uit twee stukken. Ze werd bezet met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormden de eerste rij; een granaat, een saffier en een aquamarijn de tweede rij. Op de derde waren een hyacint, een agaat en een amethist bevestigd. De vierde bevatte een chrysoliet, een kornalijn en een onyx. Ze waren gevat in gouden zettingen. Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van Israël. Op iedere steen was de naam van een der twaalf stammen gegraveerd, zoals men dat bij zegels doet. (1)

 

De steen corresponderend met Ram en Gad staat op de derde rij in de derde kolom. Het is een hyacint.

Hyacint is een gele zirkoon.

De link met het sterrenbeeld is hypothetisch. Er zijn in de literatuur linken met andere stenen te vinden.

 

DE STERREN

 

De hamel

Alfa Arietis heet met zijn Arabische naam Hamal. Dit was eertijds tevens de naam voor het volledige sterrenbeeld. Hamal is afgeleid van het Arabische Al Ras al Hamal, wat 'hoofd van het schaap' betekent. In het Nederlands is een hamel een gesneden ram.

Deze ster ligt vlak bij de ecliptica en bereikt op 11 december haar hoogste punt aan de hemel.

Ze bevindt zich op 78 lichtjaar van de aarde, maar nadert onze planeet tegen 13.5 kilometer per seconde. Dat is 4.860 km per uur.

 

Eén kenteken

Bèta Arietis heet Sheratan, van het Arabische Ash Shiera of Al Sharatain. Dat is: Kenteken. Ze staat op 50 lichtjaar van de aarde.

 

Twee tekens

Gamma Arietis is Mesarthim. Deze ster bevindt zich het dichtst bij het lentepunt of equinoxpunt.

 

 

Astronomie: de zon bevindt zich in het sterrenbeeld Ram van ± 18 april tot ± 14 mei.

Astrologie: de zon vertoeft in het sterrenbeeld Ram van ± 21 maart tot ± 20 april

 

(1) Teksten overgenomen uit: De Bijbel uit de grondtekst vertaald. Willibrordvertaling. Katholieke Bijbelstichting Boxtel. 1987 en 1995 en De Nieuwe Bijbelvertaling, complete katholieke editie met inleidingen, Katholieke Bijbelstichting 's Hertogenbosch, Vlaamse Bijbelstichting, Leuven. 2005

 

(2) Tekst overgenomen uit: Leemhuis, Fred. De Koran. Het Wereldvenster (Uniboek bv) Houten 1989

 

bordtekening Ram
Bordtekening Ram, Stier en Tweelingen
Affiche lezing Ram