boogschutter

...als de leerkrachten meer vrijheid en vertrouwen krijgen, dan moeten de eindtermen gereduceerd worden. Leerkrachten zullen dan de kans krijgen om meer eigen lesstof te ontwikkelen... (DM 2015-06-03)

Tik de zoekterm in het vak op internet in deze site 

BOOGSCHUTTER

Nederlands Boogschutter

Latijn Sagittarius

Frans Sagittaire

Engels Archer

Duits Schütze

Italiaans Sagittario

Spaans Sagitario

Portugees Arqueiro

De Boogschutter in de Griekse mythologie

De Boogschutter is een centaur, een mythologisch wezen, half man, half paard. Het verhaal dat bij dit sterrenbeeld hoort komt uit de 12 werken van Heracles. De figuur vinden we in de vierde opdracht, waar Heracles het Erymantische everzwijn moet gaan halen. Heracles had al de Nemeïsche leeuw gedood en diens vacht gebruikte hij sindsdien als pantser; hij had de Hydra overwonnen en na een jacht die een vol jaar duurde het hert Kerynitis naar Mycene gebracht. Het everzwijn leefde in de omgeving van de berg Erymanthos. Heracles trok er naar toe en overnachtte bij Pholos, de zoon van Silenus. Omdat Heracles zijn opvoeding deels genoten had bij een der centauren, werd hij zeer gastvrij ontvangen door Pholos. Terwijl de centaur het vlees rauw at – op de wijze zoals centauren dat gewoon waren - wilde hij het voor Heracles braden. Heracles genoot van de heerlijke spijs en vroeg om een beker wijn om de maaltijd compleet te maken. Pholos zei: ‘Er ligt een vat goede wijn in mijn kelder, maar dat is niet van mij alleen. Het is van alle centauren tezamen en ik mag het niet openen zonder hun goedkeuring. Je weet ook, Heracles, hoe ongastvrij centauren zijn.’ Maar Heracles had te grote trek in een beker wijn en zei: ‘Sla het vat maar aan, Pholos, want ik heb dorst. En mochten de andere centauren je bedreigen, vrees dan niet, ik zal je beschermen.’

Nu was dat vat wijn eigenlijk al voorbestemd om als dorstlesser te dienen voor Heracles, maar dat wisten de centauren niet. Het vat wijn was namelijk vele, vele jaren voordien door de god Dionysus aan de centauren geschonken, onder de voorwaarde dat het pas na vijf mensengeslachten mocht geopend worden. En Dionysus had daarmee voorzien dat dan Heracles deze wijn zou drinken. Nu was het dus zover en Heracles deed wat de god had beschikt.

Pholos daalde dus in zijn kelder af en opende het vat.

Maar amper stroomde de wijn of de centauren roken de sterke geur van de oude, belegen wijn. Van overal kwamen ze uit het gebergte tevoorschijn, gewapend met rotsblokken en dennenstammen. Toen ze Pholos in zijn hol bedreigden, sprong Heracles op en wierp een brandende fakkel naar de centauren. Daarop ontstond een wild gevecht, waarbij Heracles, dankzij de pijlen die gedoopt waren in het gif van de Hydra, de overhand kreeg en de centauren op de vlucht gingen. Heracles was niet tevreden met zijn overwinning en achtervolgde de centauren. Ze vluchtten naar Malea, de meest zuidoostelijk gelegen bergstreek van de Peloponnesus, want daar woonde de goede centaur Cheiron, de oude leermeester en goede vriend van Heracles. De centauren hoopten daar bescherming te vinden, maar Heracles, verblind door de strijd en de lange vlucht, schoot zijn giftige pijlen op hen af. Daarbij drong een pijl doorheen de arm van een centaur en trof Cheiron in de knie. Toen pas zag Heracles dat hij ongewild zijn vriend had getroffen. Snel legde hij boog en pijlen terzijde en knielde bij Cheiron neer. Hij trok de pijl uit de knie en smeerde een zalf, die Cheiron zelf had bereid op de wonde. Toen vroeg Cheiron hem om hem in zijn hol te brengen, want hij voelde zijn krachten zienderogen afnemen en wilde in de armen van zijn vriend sterven. Maar Cheiron was onsterfelijk en moest dus tot in de eeuwigheid vreselijke pijnen lijden. Heracles legde zijn vriend op een zacht bed neer en beloofde hem plechtig ervoor te zorgen dat Cheiron zou kunnen sterven. Deze belofte heeft hij gehouden, want lange tijd daarna - Heracles was toen een van de helden die meevoer op de Argo, op weg naar Colchis om het Gulden Vlies te halen - trok Heracles het gebergte Tartarus in, waar hij Prometheus van de rots bevrijdde. Omdat Zeus echter woedend was om deze daad, vroeg Cheiron of hij de plaats van Prometheus mocht innemen, aangezien hij toch al eeuwig moest lijden. Zeus was zo getroffen door deze opoffering van Cheiron dat hij hem liet sterven, hij wilde deze moedige centaur niet eeuwig laten afzien.

Toen Heracles zijn verstoorde maaltijd wilde verderzetten en dus bij het hol van Pholos terugkeerde, vond hij zijn vriend daar dood ter aarde. Wat was er gebeurd? Pholos had, terwijl Heracles de centauren achtervolgde, een pijl uit het lijk van een centaur getrokken en had zich afgevraagd hoe het toch kon dat zo’n klein ding zo’n groot wezen kon doden. Terwijl hij daar stond te mijmeren, gleed de pijl uit zijn hand en de giftige punt trof hem in de voet. Het gif deed snel zijn werk en nog voordat hij in zijn hol was, stierf Pholos.

Heracles was zeer bedroefd en begroef zijn vriend aan de voet van de berg. De berg herdoopte hij, als aandenken aan deze vriend in Pholoë.

Daarna begaf Heracles zich naar Erymanthus, waar hij het everzwijn vond dat hij moest gaan halen. Het dier verstopte zich in het struikgewas, maar met veel lawaai en geschreeuw joeg Heracles het daar weg. Het everzwijn vluchtte hoger en hoger de berg op tot het in de dikke sneeuw vast raakte. Daar ving Heracles het met een strop en bracht het dier levend naar Mycene.

Is Cheiron de Boogschutter, of is hij het sterrenbeeld Centaur?

De Boogschutter is een centaur, en voor de meesten is dat de centaur Cheiron, de grootste leermeester die ooit geleefd heeft, leermeester van vele Griekse helden. Toch is er nog een ander sterrenbeeld dat Centaur heet, en waarvan men denkt dat dàt Cheiron is. Hoe dan ook, het zou best kunnen zijn dat hij tweemaal aan de hemel staat. Voor zo’n grote meester mag dat. Hij is trouwens aan de hemel gezet uit dankbaarheid voor het offer dat hij gebracht heeft. Omdat hij uit eigen beweging, uit vrije wil, het lijden van Prometheus op zich wou nemen - hij is daarmee een voorloper van Christus - heeft Zeus hem aan de hemelkoepel gezet.

 

Niet iedereen kende dit sterrenbeeld als een centaur. In Azië werd het sterrenbeeld meer gezien als een Pijl-en-Boog. Zonder ruiter en zonder paardmens.

 

De Boogschutter in Perzië en Mesopotamië

In het oude Perzië werd dit sterrenbeeld beschouwd als Nergal, de god van de oorlog.

In het Gilgamesjepos wordt hij getekend als de god van de onderwereld.

Nadat Enkidu, de vriend van Gilgamesj was gestorven, begaf Gilgamesj zich op pad om te trachten de onsterfelijkheid te bereiken. Het lukte hem, zelfs na vele omzwervingen, niet. Het enige wat hij verwierf was de mogelijkheid om nog éénmaal jong te worden dankzij het levenskruid dat hij geplukt had op de bodem van een bron op het eiland Dilmoen, waar Utnapisjtim, de enige overlevende van de zondvloed, woonde. Onderweg naar huis werd dit kruid door een slang gestolen en daardoor verwierf de slang de mogelijkheid om haar oude huid af te werpen en verjongd weer tevoorschijn te komen.

Gilgamesj kwam doodongelukkig in zijn vaderstad Uruk terug. Toen wilde hij nog een laatste keer zijn vriend Enkidu zien. Hij riep alle goden aan om hem nog éénmaal met Enkidu te laten spreken. Ea, de god van de wijsheid verhoorde zijn gebed en ging naar Nergal, de god van de onderwereld en zei: ‘Open een spleet in de aarde en laat de schim van Enkidu opstijgen. Laat hem zijn broeder Gilgamesj ontmoeten. Laat de vrienden met elkaar spreken over het leven in uw rijk van de dood.’

Nergal opende het dodenrijk en als een windvlaag steeg Enkidu op. Hij omhelsde en kuste Gilgamesj en zei: ‘Broeder, mijn lichaam wordt door de wormen verteerd en vergaat tot stof. De grimmige dood is onverbiddelijk. Er is niets dat blijft bestaan. Wie op het slagveld is gestorven, krijgt zuiver water te drinken en wordt verzorgd door zijn vader en moeder.’

Gilgamesj vroeg: ‘Zag je iemand wiens lijk in het veld is geworpen?’

Enkidu antwoordde: ‘De dode voor wie geen offers worden gebracht, vindt geen rust, eeuwig zwerft hij rond. Gedenk wie sterft zodat hij rust zal vinden in het dodenrijk.’

Na deze woorden namen de twee vrienden definitief afscheid van elkaar. De aarde opende zich opnieuw en Enkidu’s schim verdween voor altijd naar de onderwereld.

Gilgamesj heerste nog lang over Uruk. Iedere dag bracht hij een offer voor zijn vriend. Hij trok door de straten, machtig als een reus, trots, ver boven iedereen verheven. De bewoners van de stad vereerden hun koning die voor een derde mens was en voor twee derde goddelijk.

In Assyrië in het Tweestromenland, werd dit sterrenbeeld in verband gebracht met Kislivu, de negende maand. Dit is de maand die overeenkomt met onze maand november/december. Het is de tijd die ook overeenstemt met de hemelse jager Orion, die dan over de sterrenhemel heerst.

Naar alle waarschijnlijkheid stamt de booghanterende figuur uit het Tweestromenland.

 

De Boogschutter in de Bijbel

De Joden zagen in het sterrenbeeld Boogschutter het symbool van de stam van Ephraïm en Manasse, de zonen van Jozef, kleinzonen van aartsvader Jakob.

Jozef, elfde zoon van Jakob, door zijn broers 'de dromer' genoemd werd door hen als slaaf verkocht. Hij kwam in Egypte terecht en dankzij zijn gave om dromen te duiden, kwam hij in de gunst van farao en klom op tot de rang van onderkoning van Egypte. Hij trad in het huwelijk met Asenat, de dochter van priester Potifera. Jozef had uit een droom van farao afgeleid dat er zeven vette en daarna zeven magere jaren zouden komen. Nog voor het eerste magere jaar van hongersnood aanbrak kreeg Jozef een zoon, die hij Manasse noemde. Hij gaf hem die naam omdat die hem het gemis van zijn familie deed vergeten. Korte tijd later kreeg hij een tweede zoon die hij Ephraïm noemde. Deze naam betekent: vruchtbaar. ‘Want God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk’ zei Jozef.

Toen Jakob oud was geworden en zijn levenseinde zag naderen, ging Jozef naar hem toe samen met Manasse en Ephraïm. Jakob sprak toen de volgende woorden: ‘God heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal ik van u maken. Dit land zal ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven. Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, zijn mijn zonen. Ephraïm en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon. Maar de kinderen die je daarna hebt gekregen, blijven jouw kinderen en zullen samen met hun broers erven.’

Bij het zien van Jozefs beide zonen vroeg Israël (Jakob): ‘Wie zijn dat?’ Jozef zei tot zijn vader: ‘Dat zijn de zonen die God mij hier gegeven heeft.’ Israël zei: ‘Laat ze bij me komen, ik wil hun mijn zegen geven.’ Israëls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij ze niet goed meer kon zien. Toen Jozef hen bij hem had gebracht, kuste en omhelsde hij hen. Israël sprak: ‘Ik had niet kunnen vermoeden dat ik je nog zou terugzien, en nu laat God mij ook nog je kinderen zien.’ Toen verwijderde Jozef hen van zijn vaders knieën en boog met zijn gezicht tot op de grond. Daarop nam Jozef met zijn rechterhand Ephraïm vast - voor Israël was dat links - en met zijn linkerhand Manasse - voor Israël was dat rechts; zo bracht hij beiden tot vlak bij hem. Toen strekte Israël de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Ephraïm, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse - ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen. Toen zegende hij hen. Toen Jozef merkte dat zijn vader de rechterhand op het hoofd van Ephraïm gelegd had, vond hij dat verkeerd; hij greep de hand om ze van Ephraïms hoofd te verwijderen en ze op het hoofd van Manasse te leggen. Hij zei tot zijn vader: ‘Niet zo, vader, want dit is de oudste; op zijn hoofd moet u uw rechterhand leggen.’ Maar zijn vader weigerde en zei: ‘Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk uitgroeien en groot worden, maar zijn jongere broer zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht groeit uit tot een menigte volken.’ En hij sprak op die dag deze zegen over hen uit: ‘Met jouw naam zal Israël zegen afsmeken en men zal zeggen: God make u gelijk aan Ephraïm en Manasse.’ Zo plaatste hij Ephraïm vóór Manasse.

Toen riep Jakob al zijn zonen bij zich en zegende hen. Over Jozef sprak hij: ‘Een jonge stier is Jozef, een jonge stier bij een bron, die door de heining van zijn graaswei breekt. De boogschutters hebben hem getergd, hem uitgedaagd en strijd met hem gezocht. Maar hun bogen werden gebroken door de Bestendige, de spieren van hun handen gescheurd door de handen van Jakobs Machtige; door Hem die zijn herder heet, Israëls rots’

Omwille van het feit dat Jozefs boog sterker zal zijn dan die van zijn belagers, werd het sterrenbeeld Boogschutter toegewezen aan Jozefs zonen Ephraïm en Manasse.

Ephraïm zal tot een volk uitgroeien, één van de twaalf stammen van Israël. Het gebied van dit volk bevond zich in Jezus’ tijd in het midden van Palestina, temidden van Samaria, de streek bewoond door de Samaritanen, die niet als echte, zuivere Joden werden beschouwd.

 

De Boogschutter in de christelijke hemel

Ooit werd de heidense sterrenhemel omgedoopt in een christelijke en dus werd er gezocht naar geschikte christelijke vervangers van de bestaande figuren. Het lag een beetje voor de hand dat de 12 sterrenbeelden van de zodiak werden omgevormd tot de twaalf apostelen. En zo kwam Boogschutter aan het beeld van de heilige Matteüs, apostel en evangelist. Hij had wel wat kenmerken van Cheiron en is als schrijver van het eerste evangelie (zo werd lange tijd verondersteld) de grote leraar van apostelen en evangelisten en onrechtstreeks dus ook van de hele christenheid. Zijn Bergrede is tot op vandaag een norm voor een goed sociaal en moreel gedrag. En ook de acht zaligheden zijn aan zijn pen ontsproten.

Wie was Matteüs?

Hij was de zoon van Alpheus, leefde ten tijde van Christus en was in Kafarnaüm aan het meer van Genesareth tollenaar. Dat wil zeggen dat hij de tol ontving van reizigers die over het meer voeren en dat hij invoerrechten inde op de goederen die via die weg werden aangevoerd. Zoals waarschijnlijk alle tollenaars verdiende hij daar heel goed de kost mee en was hij dus in zekere zin een bemiddeld man. Al kende niemand hem toen als Matteüs, want zijn echte naam was Levi.

De naam Matteüs kreeg hij van Jezus toen hij werd opgenomen onder de apostelen. Matteüs betekent: ‘geschenk van God’. Hoe kwam hij bij de apostelen terecht? In feite ging dat heel eenvoudig. Op een dag wandelde Jezus voorbij het tolhuis van Levi en zei tegen hem: ‘Volg mij.’ En Levi stond op en volgde Jezus.

Hij luisterde met grote aandacht naar zijn nieuwe leermeester en was er zo vol van, dat hij zijn vrienden ook wilde overtuigen om zich tot Jezus te bekeren. Hij richtte daarom een groot diner aan waarop hij zijn vrienden én Jezus en zijn leerlingen uitnodigde. Hij liet Jezus het woord doen en hoopte dat zijn vrienden zouden overtuigd worden. Of dat ook gebeurde, wordt niet verteld. Wat echter wel gebeurde was dat de Farizeeën van dan af Jezus met een slecht oog bekeken. Zij begonnen hem te beschuldigen gemene zaak te maken met tollenaars (die in Palestina destijds niet graag gezien waren) en zondaars. Maar Jezus wees hen terecht en zei: ‘Ik ben niet gekomen voor de gezonden, maar voor de zieken.’

Matteüs trekt met Jezus mee naar Jeruzalem en is ooggetuige van diens kruisiging en dood. Maar ook van diens hemelvaart. Hij blijkt daarna nog enige tijd in Judea te hebben vertoefd en er gepreekt te hebben. Maar enkele jaren na de Hemelvaart (rond het jaar 42) schijnt hij vertrokken te zijn naar - volgens de enen - Azië (Parthië), volgens anderen Egypte en Ethiopië. De legenden vertellen met grote overtuiging dat hij in Ethiopië zijn dagen sleet en dat hij er vele wonderen verrichtte. Enkele daarvan zijn absoluut het vermelden waard.

De stad Vadaber was betoverd door de tovenaars Zaroës en Arphaxad. Die hadden een mensenetende draak op de stad afgestuurd. Toen Matteüs in die stad kwam hield hij de draak het kruis voor, waarop de draak zich in alle bochten wrong en stierf. De verbaasde inwoners luisterden daarop gedwee naar de preken van Matteüs.

Nu stierf de zoon van koning Egippus en wat de tovenaars ook probeerden, de prins was dood en bleef dood. Matteüs echter slaagde erin de jongeman weer tot leven te wekken. Het volk was daar zo blij om dat er spontaan een lange stoet werd gevormd van mensen die met allerlei geschenken naar hem kwamen. Ze beschouwden Matteüs als een god. Matteüs was daarvan niet gediend en kon de mensen overtuigen om als dank een kerk te bouwen. Dat gebeurde en Matteüs verbleef er nog 33 jaar.

Prinses Ephigenia was een van de trouwe volgelingen geworden van de apostel en het kostte Matteüs niet veel energie om haar ervan te overtuigen maagd te blijven ter ere van God. Koning Hirtacus wilde haar echter tot vrouw. Matteüs troonde de koning mee naar zijn kerk en begon daar te preken. Hirtacus geraakte onder de indruk, vooral toen Matteüs hem duidelijk maakte dat hij de bruid van God begeerde en dat hij dus Ephigenia met rust moest laten. Maar de indruk had een enigszins andere uitwerking dan Matteüs had verwacht. Hirtacus gaf een beul het bevel om Matteüs te doden. En zo gebeurde het dat Matteüs tijdens de mis met een zwaard in de rug getroffen werd en stierf.

Hirtacus dacht nu de weg vrij te hebben voor zijn huwelijksaanzoek, maar Ephigenia trok zich met 200 andere maagden terug in een klooster. Hirtacus stak het klooster dan maar in brand. Maar toen verscheen de geest van Matteüs en die joeg het vuur van het klooster over naar het koninklijk paleis dat in vlammen opging. De koning en zijn zoon konden ontsnappen en ontkwamen daarbij ook nog maar net aan een volksopstand. De zoon geraakte door de duivel bezeten maar Matteüs exorciseerde hem en de prins bekeerde zich.

De koning werd voor zijn begeerte gestraft met een vreselijke huidziekte. Hij kon het leven niet meer aan en pleegde zelfmoord.

Toen al dat leed geleden was koos het volk de broer van Ephigenia tot koning. Die regeerde 70 jaar lang als een christelijk vorst over Ethiopië.

De Boogschutter is een sater

De oud-Griekse wijsgeer Eratosthenes, die we op school kennen als de man die met de ‘Zeef van Eratosthenes’ een geschikt middel vond om priemgetallen te zoeken, beschrijft het beeld van de Boogschutter als zijnde een satyr, een bosgeest. Nu waren saters of satyrs in Griekenland bekend als de vrolijke bosgeesten in het gevolg van de god Dionysus (Bacchus). In toneelspelen werden ze nogal eens opgevoerd als vrolijke, spottende figuren.

Om er een idee van te hebben welke rol ze speelden kunnen we ons slechts behelpen met het satyrspel ‘Kyklops’ van Euripides, het enige satyrspel dat bewaard is gebleven.

Het beeld van een sater komt in zijn grootste originaliteit voor in het Gilgamesjepos uit het Tweestromenland. Het heeft blijkbaar model gestaan voor alle andere saters of bosgeesten.

Wie is die bosgeest bij Gilgamesj?

Het is Eabani, die ook wel Enkidu wordt genoemd. Enkidu was door de godin Aruru geschapen om het tegen Gilgamesj op te nemen. Na hun eerste strijd, waarbij blijkt dat ze alle twee even krachtig zijn, worden zij vrienden en zijn onafscheidelijk bij elkaar. Samen overwinnen ze Humbaba, de bewaker van het cederwoud. Samen doden ze de Hemelstier. Maar dan sterft Enkidu (Eabani). Het gevolg is dat Gilgamesj beseft dat hij ook sterfelijk is en daarop gaat hij op zoek naar de onsterfelijkheid. Ondanks alle inspanningen verwerft hij die niet, het enige wat hij verkrijgt is het levenskruid, waardoor hij nog éénmaal jong kan worden. Maar de slang rooft het levenskruid.

De Boogschutter in Perzië

In de Perzische mythologie, overgeleverd in spijkerschrift, vinden we de Boogschutter ook als verpersoonlijking van de Grote Koning van de Oorlog: Nergal. Hij is de God van de Onderwereld, die in het Gilgamesjverhaal ook een rol speelt. Hij is het die de aarde opent opdat de geest van Enkidu nog eenmaal kan opstijgen en Gilgamesj hem kan vragen hoe het leven na de dood is.

De Boogschutter wijst de weg

De centaur Cheiron zou zelf het sterrenbeeld aan de hemel gezet hebben om de Argonauten de weg te wijzen naar Colchis, waar zij het Gulden Vlies moesten gaan veroveren.

 

Ster en steen

Op de borstplaat van de Israëlische hogepriester waren 12 stenen bevestigd. Die correspondeerden met de 12 zonen van Jakob en daardoor ook met de 12 sterrenbeelden van de dierenriem.

Exodus 39, 8-14

Een kunstenaar maakte van hetzelfde materiaal als de efod de orakeltas: van gouddraad, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. Ze was vierkant als het doek dubbelgeslagen werd, een span lang en een span breed, en bestond uit twee stukken. Ze werd bezet met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormden de eerste rij; een granaat, een saffier en een aquamarijn de tweede rij. Op de derde waren een hyacint, een agaat en een amethist bevestigd. De vierde bevatte een chrysoliet, een kornalijn en een onyx. Ze waren gevat in gouden zettingen. Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van Israël. Op iedere steen was de naam van een der twaalf stammen gegraveerd, zoals men dat bij zegels doet.

Steen (mineralogie): Carneool (vierde rij, tweede kolom)

Carneool ofte kornalijn is een oranjerode of vleeskleurige variëteit van chalcedoon.

De link met het sterrenbeeld is hypothetisch. Er zijn in de literatuur linken met andere stenen te vinden.

 

DE STERREN

De Boogschutter is een bijzonder rijk sterrengebied. Jammer genoeg zijn die sterren van op onze noorderbreedte niet steeds goed te zien met het blote oog. In het zuiden heb je echter meer kans om deze sterren te vinden en te leren kennen.

De sterren dragen allemaal namen die naar het sterrenbeeld verwijzen.

De schutter

Alpha Sagittarii heet Alrami, wat Arabisch is voor Schutter. Het is uitzonderlijk niet de helderste ster die hier Alpha heet, ze is eerder per vergissing aan de eerste plaats in de rangorde binnen dit sterrenbeeld gekomen. Lambda, Dzeta en Tau zijn heel wat helderder. Alrami staat op 250 lichtjaar van ons verwijderd. Het licht dat we nu zien is daar dus vertrokken omstreeks de tijd dat Benjamin Franklin de bliksemafleider uitvond. Hij toonde aan dat de bliksem via de grond op een niet schadelijke manier kon afgevoerd worden.

De achillespees van de schutter

Beta Sagittarii heet Arkab en is een dubbelster. Het zijn Arkab Prior en Arkab Posterior. Ze duiden de pees aan die de kuit met de hiel verbindt.

De pijlpunt

Gamma Sagittarii heet Al Nasl en wijst de punt van de pijl aan.

Het midden van de boog

Delta Sagittarii heet Kaus Medius of Kaus Meridionalis en betekent ‘Midden van de Boog’.

Het zuidelijk deel van de boog

Epsilon Sagittarii heet Kaus Australis of Zuidelijk deel van de Boog.

Dzèta Sagittarii heet ook Ascella en is de tweede helderste ster van dit sterrenbeeld.

Het noordelijk deel van de boog

Lambda Sagittarii staat heel dicht bij de ecliptica en duidt samen met de ster Mu de punt van het wintersolstitium aan. Het licht van Lambda heeft 84 jaar nodig om ons te bereiken. De ster heet ook Kaus Borealis, wat Noordelijk deel van de Boog betekent.

.

De veer van de pijl

Sigma Sagittarii heet Nunki en stelt de veren van de pijl voor. 180 lichtjaar heeft het licht van deze ster nodig om ons te bereiken.

 

 

In dit sterrenbeeld zijn heel wat sterrenhopen en gasnevels te zien.

 

Astronomie:

de zon beweegt door het sterrenbeeld Boogeschutter van ± 18 december tot ± 20 januari.

 

Astrologie:

de zon staat in het teken Boogschutter van ± 21 november tot ± 20 december